Dag # 1: Montpellier naar Aniane (ongeveer 25 km)
Onmiddellijk na aankomst in Montpellier naar het “hotel” gewandeld. Hotel is hier een eufemisme maar wat kan men verwachten als de naam van het “hotel” “Grande Chambre au coeur de Montpellier” is? De prijs is zeer schappelijk, het is een boogscheut (voor een goede schutter) van het station en van de tram die ik moet nemen om naar Grabels te gaan. Bovendien is de eigenaar die de rest van het gebouw bezit en bezet vriendelijk en behulpzaam. Wat moet een pelgrim meer hebben? Ik heb me geinstalleerd (= stapschoenen en stapkousen uitgedaan, mijn broek tot de helft gereduceerd en mijn rugzak op de sofa gezet) en ben Montpellier gaan verkennen. Montpellier lijkt een kleine grote stad met 300.000 inwoners waarin alles blijkbaar om de Place de Comedie draait. Dat is handig want dat is ook maar een grote boogscheut van mijn overnachtingsplaats. Wat tijdens mijn introductie tot Montpellier opviel naast de kathedraal en het park met de triomfboog en de Carré Anne, enz. waren de vele flanerende jonge mensen (studenten) die in schril contrast staan met de vele buitenslapers. Hier buiten slapen is natuurlijk minder erg dan dat in Brussel (in de winter?) te moeten doen maar het blijft toch schrijnend. De graad van schrijnigheid (mijn proeflezer is er niet om dit woord te vervangen) wordt nog een stapje opgetrokken wanneer er ook nog een overdosis alkohol of iets anders bijkomt. Zo ligt er een dakloze stomdronken temidden van de straat zonder dat hij nog recht kan. Erg. Iedereen (inclusief deze pelgrim) kijkt ernaar zonder te weten wat anders te doen dan verder te stappen. Zeer erg, en dan lijken het allemaal nog echte Fransen te zijn. Misschien zitten asielzoekers en andere transmigranten ergens anders in nog erbarmelijker omstandigheden.
Nu schakelen we over naar de dag van vandaag. Ik heb redelijk geslapen en wordt net voor de wekker wakker wordt ook wakker. Alles wordt netjes in de rugzak gestoken en ik ga op een honderdtal meters in een bar ontbijten. Nadien komen de tandjes aan de beurt en is het tijd om de tram richting Grabels te nemen. Mijn huisbaas rijdt waarschijnlijk niet dikwijls met de tram anders had hij me niet gezegd dat ik een ticketje op de tram kon kopen. Niet getreurd echter, zo doet men een Montepelliaanse zwartrijders ervaring op. Ik wordt op de tram door allerlei vriendelijke mensen verbaasd. Minstens drie jonge reizigers staan op om hun plaats aan deze kale grijsaard af te staan. Hoe lang is het geleden dat dit nog gebeurde in België ? … en de drie zijn een allegaartje van afstammingen. Eentje kwam duidelijk van een plaats waar de zon harder schijnt dan bij ons, eentje had zo lelijk haar dat ze het onder een doek wegstopte en eentje stond wel degelijk in het geboorteregister van een Franse stad of gemeente. Iemand wil me zelfs helpen mijn rugzak uit te doen om gemakkelijker te kunnen zitten en ik verdenk er hem zelfs niet van dat hij met mijn rugzak aan de haal wil gaan. Met dit alles wil ik alleen maar zeggen dat iedereen hier welopgevoed en vriendelijk lijkt te zijn. Ik moet om in Grabels te geraken ook overstappen van de tram op de bus. Hier opnieuw hetzelfde scenario: de man aan wie ik vraag waar de opstapplaats van de bus naar Grabels is, stapt met me mee om zeker te zijn dat ik in de juiste richting rijd. De buschauffeur zelf zegt vriendelijk “Bonjour” wanneer ik opstap en als hij hoort dat ik een buitenlander ben die naar Compostella wil stappen zegt hij “Je vous invite” (= ik moet niet betalen). Iedereen die van de bus stapt roept “Merci et au revoir” naar de chauffeur en hij roept hetzelfde terug. Als ik hem hierop aanspreek zegt hij dat dit toch normaal is waarop ik hem zeg dat chauffeurs in Belgie staken omdat ze regelmating verbaal en fysiek geweld moeten ondergaan. Dat begrijpt de brave borst niet …. En ik ook niet.
In Grabels is er naast de kerk een tuintje dat speciaal voor Compostella stappers ingericht is. Op dit ogenblik is er niemand waardoor ik zelf mijn boekje moet afstempelen. Nu wordt het tijd om te beginnen stappen want het is ondertussen 9:30 geworden.
Het stappen verloopt vlotjes. De signalisatie is goed, de paadjes en paden zijn OK, het weer is perfect (een zonntje tegen een blauwe achtergrond met hier en daar een schapenwolkje), het gaat slechts langzaam bergop en bergaf en het is rustig. Alles wat mijn hartje verlangt en toch loop ik te denken: waarom wil ik dat toch doen na de zo goede trein, tram & bus ervaring van gisteren en deze morgen. Misschien zal ik het weten na 12 dagen labeur.
Na een tiental km besluit ik eens mijn schoenen opnieuw aan te doen. Rechts voel ik precies een plooi in mijn kous en in mijn linker schoen zijn een paar kleine steentjes beland. Ik ken de uispraak “If you think some pebbles in your shoe are a nuissance, try sand in your condom” maar ik wil met mijn voeten toch geen risico nemen. Ze moeten eerst nog 12 dagen en daarna nog 30 jaar mee gaan (pun intended). De schoenen gaan uit en aan en het gevoel nadien is direct veel beter.
Iets voor de middag kom ik in Montarnaud toe waar ik aan de babbel sla met twee madammekes die op de trappen van de kerk zitten te picknicken. Jammer dat het weer in Belgie niet beter is want dat zou anders nog een mogelijk herbestemming voor al die lege kerken kunnen zijn. Voor mij is het echter nog te vroeg om te eten want ik wil een goed stuk over de helft zijn voor ik eet. De 4 km na Montarnaud zijn een stevige beklimming. Als dit een voorspiegeling is van wat nog moet komen dan zal ik nog plezier beleven. Enfin, we zien wel en klimmen op het eigen ritme. Dan lukt het wel.
Uiteindelijk vind ik in La Boissière een plaats die aan de criteria voor een picknickplaats voldoen (uitzicht, schaduw, gemakkelijk zitten en geen muggen). Het is echter ondertussen halftwee geworden waardoor een Evenepoeleke (zelfs zonder de Toumalet in zicht) zich aankondigt. In ieder geval liggen de twee madammekes met nog 9 km te gaan weer voorop. Gelukkig voor mijn ego haal ik hun weer bij op het moment dat ze hun blaren zitten te bewonderen. Ik ben verwonderd dat ik geen blaren heb want we zijn nu al kilometers op losse, ronde stenen aan het stappen waardoor bij kwasi iedere stap de schoen wat klinkt en de voet een paar millimeter in de schoen verschuift. Ik mag dan wel geen blaren hebben, mijn rug begint erg pijn te doen door mijn rugzak die erg naar links overhelt waardoor ik één kant van mijn rug overbelast. Ik probeer de rugzak wat provisorisch te herorganiseren maar dat helpt niet veel dus zal ik niet anders kunnen dan, zodra ik in het hotel ben, zowel mijn rug als mijn rugzak grondig onder handen nemen. De twee madammekes die ondertussen een naam gekregen (Cecile en Sandrine) hebben weigeren, onder het motto “Samen uit (???), samen thuis (???)” me achter te laten en op die manier komen we uiteindelijk rond 5 uur samen in Aniane toe. Hun AirBnB is in het centrum, mijn hotel ligt buiten het dorpje. We nemen afscheid in de wetenschap dat we mekaar nog wel tegen het lijf zullen lopen. De laatste paar honderd meter zijn echt penibel doordat de spieren van de rechterkant van mijn rug in kramp lijken te gaan maar met wat tandengeknars lukt het wel
Eens op de hotelkamer leg ik me plat op de grond wat wonderen doet. Dit gecombineerd met een warme douche bewerkstelligt een waar mirakel. Ik kan weer normaal stappen (hopelijk morgen ook) en kan dus het geplande wasje en plasje doen en naar het dorpscentrum wandelen zonder door de mensen op straat bekeken te worden. Wie ook in het dorpscentrum staat zijn de twee madammekes en de ouders van één van de twee. Die zijn voor het weekend afgezakt naar Aniane en verblijven in hetzelfde hotel als ik. Nog belangrijker is echter het feit dat ze met de auto zijn wat ons plots veel meer mogelijkheden qua restaurants biedt. Cecile kiest een restaurant op een kleine 10 km van Aniane waar we lekker exotisch kunnen eten (= voor mij is dit kip in een curry / gember saus met rijst). Onder het eten worden allerlei onderwerpen aangesneden. Zo kom ik,bv te weten dan Sandrine in La Tania in het ticket bureau zal werken en Cecile in dat van Courchevel 1500. Het is een kleine wereld waarin we al met al een zeer geslaagde avond met plezante mensen gehad hebben. Eén probleempje: zoals ge kunt zien aan het tijdstip dat dit gepost wordt een veel te trage service. Morgen probeer ik vroeger te posten …. En vroeger te slapen.
Proloog staptocht Via Tolosana (GR 653 Montpellier – Toulouse)
Laat me beginnen met iets recht te zetten. Ik ben niet echt van plan te beginnen stappen in Montpellier en ook niet echt van plan te eindigen in Toulouse. Montpellier en Toulouse zijn echter namen die iedereen wel zal herkennen terwijl Grabels (mijn echte vertrek van de tocht) en Revel (het echte einde van de tocht) zeker veel minder belletjes doen afgaan. Grabels werd als vertrekpunt gekozen omdat het net buiten de agglomeratie (10 km van het centrum) van Montpellier ligt en dus directe toegang geeft tot rustige paden (in plaats van drukke straten). Revel werd gekozen als einddoel omdat er een goede busverbinding naar Toulouse is waardoor de vlakke etappe tussen Revel en Toulouse vermeden wordt. In Toulouse kunnen gemakkelijk internationale verbindingen genomen worden wat erg nuttig is als men na de tocht naar Marbella wil doorreizen.
Na deze toelichting / bekentenis kan ik met de echte proloog, van wat toch wel een zeer speciale staptocht zal zijn, beginnen.
Een eerste specialleke: ik zit deze proloog op de trein te schrijven in plaats van dat rustig thuis te doen. Waarom? Omdat ik nog nooit een reis gemaakt heb waarvan de aanloop zo lang maar de echte voorbereiding zo kort was.
Lange aanloop: in 2019, toen we, ook op de GR 653 (Via Aurelia), van Menton naar Aix en Provence stapten, spraken we al over het logische vervolg dat Montpellier – Toulouse is (als men de muggenrijke, en daarom te mijden, Rhône delta buiten beschouwing laat). Tussen 2019 en de dag van vandaag is er echter veel gebeurd. In 2020 stak een virus zijn lelijke kop op. In 2021 vonden een aantal dokters dat mijn hart aan een dringende oplapbeurt toe was en in 2022 konden we niet op stap omdat Wilfried, de man die zijn volk leerde stappen en sinds jaar en dag onze compagnon de route, forfait moest geven. Vanaf de tweede helft van 2022 en tot nu hebben Gertrude en ik gebrainstormd over hoe we die sakkerse tocht dan toch zouden kunnen doen.
Korte voorbereiding: dit brainstormen heeft, ofwel door te weinig brain ofwel door te weinig storm, pas zeer recent geleid tot het besluit dat Gertrude het niet ziet zitten om deze tocht te stappen en om me met de auto in Toulouse te komen halen. Het grote nadeel van dit besluit is dat ik alleen ben en dat bovendien de logistiek ietwat gecompliceerd is. Maar zoals Johan Cruyff al wist heeft ieder nadeel een voordeel. Dit is hier ook het geval. Ik moet namelijk alleen mijn eigen spullen dragen en de keuze van overnachtingsplaatsen kan wat “verdraagzamer” zijn. Verdraagzaamheid qua overnachtingsplaatsen is nodig wanneer geen “bezemwagen” beschikbaar is en wanneer men eerst tamelijk zeker over het te verwachten weer wil zijn. Ik heb namelijk geen zin om gans alleen in de gietende regen van het ene middeleeuwse dorpje naar het volgende gehuchtje te dwalen. Na het voorbije weekend vond ik dat er voldoende “zekerheid” wat het weer betreft was om te beslissen dat ik zou vertrekken. Dat liet bitter weinig tijd voor de voorbereiding. Nu maar hopen dat Meteo France het bij het rechte eind heeft. Anders zal ik redelijk teleurgesteld en potentieel zeer nat zijn.
Een tweede specialleke: de vorige edities van de “Compostela tochten” zijn een mengsel van toerisme en sportiviteit geweest met een volle aflaat als bonus. Dat is nu ook nog altijd het geval maar er is een bijkomende dimensie. Nu is er ook een zekere vastberadenheid / koppige verbetenheid die me drijft te bewijzen dat deze tocht niet voor altijd een illusie zal blijven. De “en toch zal ik” drijfveer, met andere woorden. Dat nog eens gecombineerd met de nood om, alleen in het gezelschap van mijn eigen gezucht en gepuf, na te denken over wat zoal rond ons gebeurt en wat de volgende dertig jaar voor ons in petto hebben maken deze tocht anders dan anders.
Een derde specialleke: het vullen van de rugzak. Voor alle staptochten die ik tot nu gedaan heb (die op de Alta Via #1 met Tom is de uitzondering, maar toen was ik 10 jaar jonger) was er altijd wel één of andere vorm van bezemwagen of bagage transport. Deze keer moet ik alle spullen die ik de volgende twee weken denk nodig te hebben zelf dragen. Gelukkig heb ik overal op min of meer redelijke afstanden een dak boven mijn hoofd gevonden waardoor ik geen tent moet meesleuren. Toch werd het vullen van de rugzak uiterst minutieus gedaan. Het streefdoel was een rugzak te hebben die niet meer dan 10% van mijn lichaamsgewicht was. Jammer genoeg heb ik tussen de beslissing (= dit weekend) en nu niet voldoende tijd gehad om zoveel te eten dat een rugzak van 10.7 kg verantwoord was. Ik heb dus besloten van de 10% stelregel af te wijken maar bij de selectie van wat gaat erin en wat blijft eruit extra streng te zijn. Dat er van alle kledingsstukken maar twee mee mogen is al langer ingeburgerd maar een training / pyjama moest de plaats ruimen voor een pyjama broekje. Winst 550 g. Wandelstokken van 680 g mochten weer in de kast. Gertrude haalde bij de apotheker het kleinste flesje ontsmettingsspray dat de brave man in zijn winkeltje had. De hoeveelheid koekjes werd beperkt in de veronderstelling dat ik die wel onderweg zou kunnen kopen en er werd besloten de Camelbak maar met 2 l water te vullen omdat er wel overal brave zielen te vinden zijn die wat water willen schenken. Een camera moest plaats ruimen omdat men met een GSM toch ook foto’s kan maken. Alleen uiterst essentiele electronica zoals mijn Radio Hallo dictafoontje, de iPad en de GPS mochten mee. De eerst twee om jullie op de hoogte te kunnen houden van mijn avonturen, de derde om de avonturen tot het strikt noodzakelijke beperkt te houden.
En zo zitten we dus in de TGV die me aan 300 km/h rechtstreeks naar Montpellier brengt. Als jullie dit kunnen lezen is het een bewijs dat de minder dan 6 uur reistijd nuttig gebruikt geweest is om deze proloog te schrijven, iets waarvoor ik, gezien de zeer korte voorbereiding, thuis geen tijd voor gehad heb. Het verslag van iedere dag zal ik trouw proberen posten (als er WIFI is) maar foto’s zullen maar met enige vertraging komen want ik ben meer vertrouwd met Windows dan met Android en IOS. Ondertussen kijk ik uit naar jullie reacties die me onderweg toch een beetje geconnecteerd met de echte wereld zullen houden.
En marche!!
Lectori salutem
Epiloog van de Alaska reis
Na zoveel jaren uitstellen (en annuleringen om allerlei redenen) is het er uiteindelijk van gekomen. Alaska is niet langer Terra Incognita voor ons en daar zijn we erg tevreden mee. De hoge verwachtingen die we hadden zijn grotendeels ingelost. Uitleggen in welke aspecten we het meest geïmpressioneerd geweest zijn, is niet zo eenvoudig omdat aan Alaska (net zoals aan elk land) veel aspecten vastzitten. Ik zal daarom proberen onze impressies / bedenkingen in een aantal thema’s onder te brengen zodat het een beetje overzichtelijk blijft.
Laat mij beginnen met het weer (dan zijn we er van af). Het weer kon beter zijn maar we wisten vooraf dat minder goed weer een mogelijkheid was. Men gaat niet naar Alaska om in de zon te liggen. Daar zijn andere bestemmingen meer geschikt voor. De temperaturen waren fris maar OK (10 - 20 C). Jammer dat we regelmatig wat regen of gemiezer hebben gehad en dat de wolken regelmatig aan de toppen van de bergen bleven kleven. We hebben een paar dagen schitterend weer gehad, maar meestal was het grijs en we waren al gelukkig dat het niet regende. Belangrijk is dat we het meeste dat gepland was ook daadwerkelijk kunnen doen hebben. De grote les is dat het weer in Alaska (misschien meer dan elders) onvoorspelbaar is en dat de weersvoorspellingen maar bruikbaar zijn voor één bepaald moment (niet te ver in de toekomst) en voor één bepaalde geografische plaats … en dan nog.
De natuur (daarvoor gaat men naar Alaska want veel anders is er niet) beschrijven is niet eenvoudig. De natuur in Alaska is mooi, overweldigend, ongerept, groots, maar ook soms hard en onherbergzaam. In het deel van Alaska waar we geweest zijn zijn de bergen en bijhorende gletsjers alomtegenwoordig. “Waar men gaat langs Alaskaanse wegen komt men u, de één of andere gletsjer tegen”, zou het motto kunnen zijn. Het blijft ons verwonderen hoe de originele inwoners hier wilden leven en hoe de eerste prospectors die uit allerlei delen van de wereld kwamen (Rusland, Spanje, Engeland, Verenigde Staten) door bos na bos, door vallei na vallei, over berg na berg moesten trekken om te zoeken wat ze zochten en dan nog dikwijls zonder succes. Tegenwoordig is reizen in Alaska om meerdere redenen makkelijk. De wegen zijn goed en breed. Dat moet wel want er rijden enorme vrachtwagens maar ook enorme SUV’s, “trucks” en RV’s (soms de grootte van een echte bus) op die wegen. Een “normale” auto ziet men, maar is de uitzondering. Elektrische auto’s lijken dan weer niet te bestaan in Alaska (we hebben op de hele reis = 3500 km, twee Tesla’s gezien). Waar de Alaskaan niet kan komen met de auto gaat hij met het vliegtuig. Alaska ligt dan ook bezaaid met kleine landingstrookjes (of meertjes die dienen als landingsplaats voor watervliegtuigjes).
De economie (it’s the economy, stupid) van Alaska heeft altijd om grondstoffen gedraaid. De Russen kwamen over de Beringstraat om handel te drijven in zeeotter pelzen die de, tot slaven gemaakte, Aleuters moesten jagen. Later kwamen Europeanen en de Amerikanen om tijdens de goldrush aan te zwengelen. Nadien zocht men naar mineralen (vooral koper en zilver) en, na de eerste oliecrisis, werd ruwe olie de bron van inkomsten. Meest recent lijkt het toerisme de grootste bron van welvaart te worden. De meeste toeristen zijn wel Amerikanen maar ook Europeanen lijken de weg naar Alaska te vinden. Velen komen alleen om te vissen (zalm, forel en heilbot die 2 a 3 m lang en tot 300 kg kan wegen) naar Alaska maar velen doen zoals wij en komen voor rondritten en wandeltochten die naar de mooie flora en fauna leiden. Daarvoor zijn er goed onderhouden trails (behalve in Denali NP waar men actief probeert geen trails te laten ontstaan om het park “wild” te houden). Wij dachten vorig jaar dat Noorwegen vrij duur was. Wel, Alaska moet niet onderdoen. Een getapte IPA van een of andere lokale microbrouwerij kost gemiddeld 8 tot 10 USD. Men mag geen grote honger hebben als men voor minder dan 100 USD een biertje, een glas huiswijn en twee hoofdgerechten (steak, zalm, ...) wil eten.
Wat de fauna betreft zijn al onze verwachtingen ingelost. We hebben zalmen de rivier zien opspringen, we hebben (dankzij geleende telescopen) Dall schapen gezien, kariboes (rendieren) stonden in een kudde op ons te wachten, mooses (elanden) hebben geen geheimen meer voor ons, we hebben walvissen en zeeotters gezien en we hebben tot zeer dicht bij (zwarte en bruine) beren geweest. Al mijn bedenkingen over beren waren trouwens niet nodig, want die dieren lijken bitter weinig interesse te hebben in interacties met mensen zolang men ze niet verrast, niet in competitie treedt voor voedsel of tussen hen en hun cubs gaat lopen. We vonden de berenspray toch wel een goede verzekeringspolis.
De staat Alaska is de grootste en terzelfdertijd de dunst bevolkte staat van de Verenigde Staten. Ter vergelijking Belgie kan 55 x in Alaska. Er zijn buiten Anchorage, Palmer (?) en Fairbanks dan ook geen echte steden in het gedeelte van Alaska dat wij bezocht hebben. De andere namen op de kaart zijn niet veel meer dan een paar huizen, een benzinestation en een bank of twee en een paar winkeltjes en huizen op een kruispunt van twee “highways” en dat is het. Er is natuurlijk ook nog de hoofdstad van Alaska, Juneau. Juneau is met zijn 30’000 inwoners de derde grootste stad (na Anchorage en Fairbanks) en 10x kleiner dan Anchorage. Vraag ons niet waarom Juneau de hoofdstad is want Juneau is zelfs alleen maar met een boot of een vliegtuig te bereiken.
De conclusie is dat Alaska enorm veel troeven heeft. Alaska kan bezocht worden vanop een cruiseschip, maar heeft zoveel meer te bieden wanneer men de mogelijkheid en de moed heeft de staat rond te trekken om de natuur te laten inwerken. Met het weer moet men (zoals bij iedere reis) geluk hebben, maar het is in Alaska deel van de ervaring.
Tot slot, bedankt voor de vele, soms ondersteunende, soms grappige reacties die jullie doorzettingsvermogen bewijzen. We kunnen nog uren doorgaan en de honderden foto’s bekijken maar dat doen we best eens bij ons thuis. Bedankt.
Dag 24: Een (half) dagje in Anchorage
Het Anchorage Museum gaat maar om 10:00 open dus hebben we de tijd om eerst de valies en de rugzak te pakken en in de auto te stoppen. Op die manier kunnen we de kamer vrijmaken en kunnen we (bijna) zoveel tijd als we willen in het museum spenderen en dit museum is het waard. Een volledige verdieping is gewijd aan de indigene bevolking (18 verschillende talen / dialecten) die we ondertussen grotendeels bekeerd hebben tot het ware geloof en tot allerlei verslavingen (aan drugs en aan subsidies). Alle stukken op deze verdieping zijn in bruikleen van het Smithsonian. Er is ook een “Experience Center” en een “Discovery Center” waar allerlei zaken (de Trans Alaska pipeline, de vulkanen en aardbevingen van de Ring of Fire, hoe een gyroscoop werkt, welke dieren zoal in Alaska voorkomen, de Koude Oorlog, enz. enz.) uitgelegd worden. Een derde van het museum is bestemd voor tijdelijke tentoonstellingen en installaties van hedendaagse Alaskaanse kunstenaars.
Rond half één houden we het museum voor bekeken en rijden we naar de luchthaven. Dit is meer dan ruim op tijd maar we willen op mogelijke problemen met Alamo anticiperen. Men weet maar nooit. De teruggave van de auto verloopt echter vlekkeloos. Alamo komt er zelfs niet bij te pas omdat de terugname door een firma die voor Alamo maar ook voor Avis en Enterprise werkt gedaan wordt. Zoals de teruggave van de auto vlot verliep, zo verliep het inchecken chaotisch. Er zijn maar 2 balies van Condor open en die liggen vlak naast de 2 balies van Eurowings. De vluchten van Condor en Eurowings vertrekken op minder dan één uur van elkaar waardoor honderden mensen op een kleine oppervlakte samengepakt moeten aanschuiven. Bovendien zijn er veel sportvissers op beide vluchten die hun vangst moeten inchecken, wat ook wat extra tijd vergt. En als toemaatje, niemand heeft online kunnen inchecken, we vermoeden door een computer probleem waardoor het inchecken nog langer duurt. Kortom, we moeten meer dan twee uur aanschuiven om onze valiezen kwijt te raken en dan moeten we nog door de security screening. Dit verloopt ongewoon snel waarschijnlijk omdat ze daar weten dat mensen door de incheck vertragingen dreigen hun vlucht te missen. Uiteindelijk is dat geen probleem omdat de aankomst van het vliegtuig vertraagd is en dat is op zijn beurt weer geen probleem omdat de straalstroom tamelijk heftig is waardoor we quasi gedurende de hele vlucht aan bijna 1000 km/h vliegen.
Hierdoor is de layover in Frankfurt zoals gepland = bijna vier uur.Dat is OK want het stelt me in staat mijn voorlaatste blog te posten. Ik hoop dat iedereen wat aan de blog gehad heeft en vol spanning uitkijkt naar de epiloog die ik één dezer dagen zal delen.
Dag 23; Van Trapper Creek naar Anchorage
We hebben, "dankzij" onze beslissing om vandaag niet te stappen, veel tijd vandaag en vertrekken dus maar rond 10 uur. Het regende vannacht, voor zover ik weet, niet en ook tijdens het eerste uur van de rit wil het maar niet regenen. Dat is niet goed voor onze besluitvorming om vandaag naar Anchorage door te rijden te justificeren maar, regen of geen regen, de uitzichten waarvoor we de staptochten zouden doen blijven afwezig. De rit naar Anchorage is relatief kort maar toch krijgen we periodes waarin onze gebeden verhoord worden (=regen) afgewisseld met droogte. Rond de middag, in Wasilla, piept er een schuchter zonnetje. De gevoelens zijn hierover gemengd. We zien graag een zonnetje maar hebben we misschien te impulsief beslist naar Anchorage te vertrekken?
Ondertussen zien we in Wasilla verkeer zoals we dat in Blanden ook zien: 5 auto’s die aan een verkeerslicht staan te wachten. Zo’n verkeersdrukte hebben we, buiten de allereerste dag in Anchorage, niet meegemaakt. Na Wasilla passeren we richtingaanwijzers die we de voorbije paar weken ook gepasseerd zijn zoals bijvoorbeeld Knik River of Hatcher Pass of, één die ik niet gauw zal vergeten, nl Reflection Lake. Zonder veel reflection duw ik het gaspedaal stevig in om de muggen geen enkele kans te geven, de loebassen. Om half één komen we aan in Anchorage. Nu hangen er weliswaar een paar onschuldige wolkenslierten tegen de bergen maar het algemene beeld is dat van een mooi zonnetje boven de stad.
We checken in de “Four Points by Sheraton” in en besluiten naar het nabijgelegen Visitor Center te gaan waar we wat aanbevelingen kunnen opdoen. Er wordt ons aangeraden om naar het Tony Knowles Park te wandelen. Ook het Anchorage Museum en het Aviation Museum worden op de to do list gezet.. We besloten het Tony Knowles Park eerst te bezoeken omdat het nu goed weer is en we niet weten hoe het morgen zal zijn. In dit park / deze lagoon zouden nu duizenden trekvogels die zich voorbereiden op de grote trek, te zien zijn. We zijn zoals jullie weten geen vogelologen maar veel vogels zien we niet. Ofwel zijn ze al vertrokken zonder het aan de madam van het Visitor Center te melden ofwel zijn ze bij een vorige etappe blijven plakken. Na deze vogeluitstap stappen we terug langs één van de betere buurten van Anchorage. Hier mooie en verzorgde huizen en tuinen en geen verdwaasd kijkende en onverzorgde verslaafden. Anchorage heeft duidelijk twee snelheden.
Na deze tocht door het betere Amerika reserveren we een tafeltje in een steakhouse en rijden we naar het Aviation Museum (= goede repetitie voor morgen want het museum ligt aan de Internationale luchthaven). Het museum bezit één relatief groot (Boeing 737) vliegtuig en vele (erg) kleine en oude toestellen. Sommige toestellen zijn zorgvuldig gerestaureerd maar anderen staan er nog tamelijk verloederd bij. Er is nog veel werk op de plank maar de historische context die gegeven wordt is altijd interessant.
Na dit bezoek maken we ons klaar voor het avondeten maar daar wacht ons een opeenstapeling van vergissingen: onze reservatie is blijkbaar niet in het systeem geraakt dus moeten we wachten, de bar heeft het zo druk dat de frisse pint die ik al sinds deze middag dacht verdiend te hebben op zich laat wachten, de ribeye die ik bestelde is een filet mignon geworden als dat voor mijn neus belandt. Kortom zowat alles loopt stroef maar het komt uiteindelijk allemaal in orde zodat mijn voorlaatste blog van deze reis kan gestart worden. Morgen rest ons nog het opvullen van de valies en de rugzak, een bezoek aan het Anchorage Museum (world class zeggen de Anchoragesanen zelf) en de terugblik op een memorabele reis.
Dag 22: Van Denali NP naar Trapper Creek (Gate Creek cabins)
We staan lui op omdat we geen dringende plannen hebben. De twee stukken pizza worden verorberd dus van honger op korte termijn zullen we geen last hebben. Wanneer we om 9 uur vertrekken is het nog droog maar er hangen dikke en zeer donkere wolken boven het Denali NP. Dat ziet er dus niet goed uit en inderdaad, 5 minuten on the road begint het te motregenen. Dat is een trap lager dan miezeren en dus nog OK. We hebben dat al meegemaakt. Nog eens 5 minuten later is het miezeren overgegaan op echt regenen en dat hebben we op deze reis eigenlijk nog niet dikwijls meegemaakt. Onze beslissing om de dagtochten die ik gedownload had links (en rechts) te laten liggen wordt hierdoor bevestigd. Jammer want dit gebied (het Denali State Park, in tegenstelling tot het Denali National Park) wordt door velen bestempeld als één van de mooiste gebieden om in te wandelen (en er zijn paden in tegenstelling met het nationaal park waar het ontstaan van paden actief tegengewerkt wordt). We gaan dus alleen de viewpoints bezoeken maar we vrezen dat we van die viewpoints niets gaan zien. We stoppen bij het Denali North viewpoint en zien niets, we stoppen bij het Denali South viewpoint, en zien niets en stoppen bij het Alaskan Veteran Memorial en … zien niets. Het enige dat kan gedaan worden is de educatieve pancartes bestuderen van onder een paraplu. Nu begrijpen we waarom hier in alle stadjes / steden winkeltjes kan vinden waar men Cannabis verkoopt. Ik verdenk er de Alaskanen van dat ze op het moment dat ze depri dreigen te worden naar zo’n winkeltje lopen.
Verder rijden we door een heel gebied waar verdroogde tandenstokers (ook bekend als black spruce = zwarte spar) staan. De kever heeft dus hier ook toegeslagen. Ik hoop dat die kever weet waar de grens met het nationaal park ligt want anders dreigen ook daar vele sparren te sneuvelen wat het uitzicht niet zou verbeteren en de dieren niet ten goede zou komen.
We beslissen, vooraleer naar onze overnachtingsplaats te rijden, eerst Talkeetna te bezoeken. We zijn namelijk nog te vroeg om in te checken, het is ondertussen rond de middag en Talkeetna schijnt een “historisch” centrum te hebben met een paar restaurantjes. Op die manier willen we vanmiddag iets warm eten en vanavond iets licht (dat we onderweg zullen moeten kopen want de Gate Creek cabins liggen in de boonies, waar we meer dan waarschijnlijk niets te eten zullen vinden tenzij we op jacht en visvangst gaan). Ondertussen hebben we nog eens grondig de weersvoorspellingen doorgeplozen en moeten constateren dat het de hele komende week gaat regenen. De wandeling die ik voor morgen uitgestippeld had valt daardoor ook letterlijk en figuurlijk in het water en de vraag dringt zich op: wat gaan we hier in het midden van de boonies morgen de hele dag zitten doen? Het antwoord laat niet lang op zich wachten: niets
Het is natuurlijk erg jammer want de cabin die we hier hebben is fantastisch zowel qua inrichting (Keuken, groot terras, 2 slaapkamers, een badkamer een zithoek met een groot zitmeubel een Blu Ray speler met een 50-tal films (waarvan we er toch zeker 5 van willen zien) en op alle deuren en vensters muggenramen) maar ook qua locatie (zeer rustig met tussen het groen zicht op een meer. We kennen ook wel de uitdrukking dat slecht weer niet bestaat maar dat alleen slechte kledij bestaat maar toch beslissen we onze reservering voor morgenavond te annuleren en een hotelkamer in Anchorage te boeken. Anchorage is dan wel niet de gedroomde bestemming maar er zijn daar tenminste een paar musea waarin men, ongeacht de kledij die men draagt, droog blijft
In afwachting van ons vertrek naar Anchorage beginnen we nu alvast een paar films te bekijken. En van films gesproken: Clint Eastwood zou in de film van Sergio Leone gezegd hebben “for a few dollars more, we stay dry” (dat laatste komt van mij)
Dag 21: Een dagje Denali NP
Deze morgen iets vroeger opgestaan omdat we wat vroeger dan de grote massa in het park willen rondtoeren. De wekker staat dus op halfzeven en na een stevig banaan ontbijt (deze keer aangevuld met een Lu koekje ipv een halve pot Nutella en een kamerbrede pannekoek) zijn we om zeven uur op weg. Het is fris (5°C) maar om wilde dieren in het wild te zien moet men vroeg op stap zijn. We mogen een uurtje vroeger dan onze geboekte tijd op de bus omdat er toch nog wat plaatsen zijn. De eerste 15 miles hebben we gisteren al per auto gedaan … en niets gezien maar nu is de situatie anders: er zitten namelijk een 50-tal spotters (sommige novices maar ook sommigen getrainde wildlife spotters) in de bus. Wij rekenen dus vooral op hen en het resultaat is dat we al gauw 2 tamelijk grote mooses (= eland) in het visier krijgen. Iedereen is “all excited” maar dit is nog maar klein bier in vergelijking met wat we daarna voor de lenzen geschoven krijgen. Een horde van 8 à 10 kariboes (rendier) poseren met hun grote geweien voor ons. Het spektakel is hiermee nog niet afgelopen. Eén van de passagiers krijgt plots een grizzly in de mot. Grizzlies zijn de bergvariant van de bruine beer (op Katmai zagen we de kustvariant van de bruine beer) en zijn gewoonlijk iets minder zwaar omdat ze er een vegetarische levensstijl op nahouden (dat ze dat maar onthouden de komende dagen of ze krijgen een veeg uit mijn pepperspray pan)
Door al deze opwindende momenten hebben we de indruk dat we snel aan het einde van de rit (= waar de aardverschuiving aan de Polychrome Mountains de weg tot 2026 onderbroken houdt). Hierdoor is de tweede helft van het park in tegenstelling tot vroeger niet meer bereikbaar. We gaan allemaal uit de bus en dalen een trap af om in de rivierbedding een wandelingetje te maken. Het is toch goed weer voor iets. Het zonnetje schijnt, het is waarschijnlijk al 15°C, wat moet een mens meer hebben? De wandeling is echter geen “walk in the park” omdat de rivierbedding vol ronde gravel ligt (een beetje zoals de Bonanza trail in Wrangell NP maar dan zonder de 1100 hoogtemeters) maar te verkiezen boven “continuous bush wacking” zoals de buschauffeur het alternatief noemt. In de rivierbedding zien we een soort grote patrijzen die hevig protesteren wanneer we hun habitat betreden en ook een paar kariboes. We kunnen er niet dicht genoeg bij komen om een deftige foto te nemen omdat het water te diep is en ze te snel zijn. Op de terugweg praten we nog een tijdje met de ranger die hier een paar hoornen van Dall schapen en een conservenblikje waarop een grizzly beslag gelegd heeft, tentoonspreidt.
We beslissen (omdat veel “bush wacking” ons maar matig interesseert) langs de weg naar de Sable pas te stappen (dat is ongeveer 8 km). Die 8 km vallen tegen omdat het de hele tijd omhoog gaat. Bovendien lijkt een weg die men net per auto / bus gedaan heeft verbazend lang uit te vallen wanneer men die weg later te voet moet doen. Het grootste pluspunt van onze beslissing om dit traject te stappen is dat we aan de babbel geraken met een Canadees koppel dat met een verrekijker op driepikkel (soort telescoop) naar Dall schapen staat te kijken. Met het blote oog zien we niets, met mijn telelens zie ik een paar witte stipjes (omdat ik gezegd word waar te kijken) maar we mogen meegenieten van hun “telescoop” en zien dus perfect deze Dall schapen die anders erg elusief zijn. Het is inmiddels bijna half twee en mijn banaan met Lu koekje is verteerd maar we mogen in het park niet picknicken, kwestie van geen kruimels achter te laten die wilde dieren aan menselijke aanwezigheid zouden laten wennen. We besluiten daarom een groene bus tegen te houden om tot aan de Teklanika resting place te rijden. We denken namelijk daar te mogen eten. Een eindje voor de resting place zien we weer een grizzly. Toch wel impressionante dieren, zelfs al zijn ze kleiner dan hun omnivore kustbroeders.
Wanneer we onze onderzeeër van Subway beginnen te eten op de resting plaats blijkt dat we alleen in de bus mogen eten. Er zit dus niets anders op dan weer op te stappen en terug in de richting van de landslide te rijden. We stappen op aanraden van de buschauffeur af aan de brug over de rivier. Volgens hem kunnen we dan langs de revierbedding (en zonder bush wacking) naar de Teklanika campgrounds (3 à 4 miles stroomafwaarts) stappen om dan verder te bepalen wat we willen doen. Ik onderneem een schuchtere poging om de rivierbedding te bereiken maar geef gauw op omdat dit “zoek uw eigen pad” niets voor mij (en nog minder voor Gertrude) is. Wat een goed plan leek blijkt onuitvoerbaar voor ons en we besluiten dus langs de weg richting de campgrounds te gaan. We proberen op een bus in die richting te geraken met de bedoeling de Savage Creek trail (één van de weinige trails in het park en dus een trail die ik op mijn GPS heb) te doen. Er blijkt echter voor ons geen plaats meer te zijn (het is druk op dit moment van de dag, er zijn te weinig bussen en/of we stinken te veel. Wie weet??).
De bus laat echter meer dan drie kwartier op zich wachten (gelukkig is het nog steeds goed weer) waardoor we besluiten rechtstreeks naar de exit te rijden en de trail bij Salvage Creek te laten voor wat hij is (we hebben ondertussen al meer dan 15 km onder de zolen). Dit is een groot geluk want we zien onderweg een kudde(tje) kariboes van tamelijk dichtbij en een beetje verder een eenzaat bovenaan een heuvelrug. En dan moet de pièce de résistance nog komen. De buschauffeur zegt dat hij op de heenweg een moose met een gewei om U tegen te zeggen gezien heeft en dat hij er misschien nog staat. En jawel, een beetje verder heeft zich een verkeersinfarct ontwikkeld. Iedereen wil een kiekje van deze primo macho. Jammer dat hij zich voortdurend met zijn achterste naar zijn publiek draait. Misschien zouden de foto’s beter zijn mocht ik niet vanuit de bus moeten proberen de foto’s te nemen. Daarom besluiten we nog eens met de auto terug te keren. De primo macho heeft echter tegen die tijd dat we terug zijn de honneurs laten waarnemen door zijn ega die haar publiek weleens bekijkt maar die natuurlijk niet zo’n impressionnant gewei heeft.
Ter afsluiting van een mooie dag (met zowat alle dieren die hier te bewonderen zijn en goed weer) gaan we een lekkere pizza eten. We vragen een box om de twee partjes die we niet opkrijgen mee te nemen. Daarmee is het “probleem” van mijn ontbijt ook weer opgelost.
Dag 20: Van Fairbanks naar 5de inleiding tot) Denali NP
Ontbijten kan niet in de Bridgewater Suites (tenzij men zich tevreden stelt met een koffie of een thee). Dat is bij ons niet het geval dus moeten we naar de creperie om de hoek. Daar wordt alles klaargemaakt wat in een (zoete of zoute) pannenkoek kan worden ingepakt. We kiezen voor de kleinste zoete variant die ze hebben en dat is een pannekoek met Nutella en banaan. Wat we niet weten is dat een halve verpakking van elk op de pannekoek geëtaleerd wordt (= een halve pot Nutella en een halve banaan). Het resultaat laat zich raden zeker omdat een mes en vork ons prompt geweigerd worden. De Nutella wordt bij iedere beet langs alle kanten uit de, bij aanvang, propere omhulling geperst. “Wat hebben we vandaag geleerd?” zou SOS Piet zeggen. Mijn antwoord zou dan moeten zijn dat ik de volgende keer met de kleinkinderen verdraagzamer zal moeten zijn. Het is niet makkelijk handen en snuit proper te houden bij het eten van een met Nutella gevulde pannenkoek. Er hangt trouwens, nu we het toch over kleinkinderen (of kleine kinderen) hebben, een leuke waarschuwing aan de muur van de creperie en die luidt: “We love all children, also yours, but if you leave them unattended, we will give them a shot of espresso and promise them a puppy”. Zoiets kan niet anders dan de aandacht van ouders trekken.
Na deze levenswijsheid stappen we terug naar de Bridgewater waarbij het me opvalt dat de meeste parkeerplaatsen een stopcontact hebben (terwijl hier nog quasi geen elektrische auto’s rijden) en dat de meeste auto’s ook stukje elektrische draad uit de voorkant van de auto komen hebben. Dat herinnert mij aan gesprekken met een vroegere collega die in Alberta gewoond had waarin hij zei dat de batterij en de olie van de auto ’s nachts warm gehouden dienden te worden om ’s morgens zonder problemen te kunnen starten. Om 9 uur vertrekken we zonder problemen (want het is 10°C boven nul ipv – 35°C of zoiets) maar ook zonder zon maar ook zonder regen. So far, so good. Zodra we op de George Parks Hwy richting Anchorage rijden zien we rondom ons rollende heuvels met miljoenen interdentale tandenborsteltjes. Het verkeer op de highway is allesbehalve druk (men kan stoppen om een foto te nemen en weer doorrijden zonder ook maar iemand gehinderd te hebben. Er wonen dan ook bitter weinig mensen langs deze weg en als er ergens een huis staat (dat niet verlaten is) dan staan er gemiddeld 5 auto’s in de tuin (of wat ervoor moet doorgaan) waarvan 4 in mindere of meerdere staat van ontbinding / oxidatie zijn.
Rond de middag arriveren we in het Denali NP en het eerste dat we doen is ons laten registreren voor de busrit van morgen. Men mag namelijk maar een 15-tal mijl het park met de privéauto in. Daarna rijden we verder tot aan het visitor center van waar we een wandeling van een goede 6 km langs het Horseshoe Lake en de Nenana rivier doen. Deze wandeling is een compilatie die ik gemaakt heb gebaseerd op verschillende kortere wandelingen die “voor iedereen” (ook gewichtige Amerikanen) uitgewerkt zijn door de park service. Ik heb het woord “lake” gezien wat me onmiddellijk naar de mosquito repellent doet grijpen. Ik wil geen tweede Reflection Lake ervaring tegenkomen!! Deze wandeling loopt grotendeels door het bos wat mij ervan overtuigd dat de bedoeling van het Denali NP niet is prachtige vergezichten aan te bieden maar dat de primaire bedoeling is de natuur (flora en fauna) de volle vrijheid te laten in een habitat van 100 miljoen acres (ik denk dat dit 10 miljoen ha is). Deze mening wordt nog versterkt na de 15 miles die men met de privéwagen verder in het park kan rijden. Zelfs na die 15 miles heeft men nog steeds geen zicht op Mt Denali zelf gehad en in die eerste 15 miles is er maar één gemarkeerd pad. Men wil duidelijk de menselijke aanwezigheid zo veel mogelijk verdunnen zodat flora en fauna kunnen doen waar ze zin in hebben.
Aan het einde van de 15 miles die we tergend traag afleggen omdat we hopen één of ander wild dier (een beer of een moose) te zien moeten we stoppen omdat de weg afgesloten is voor privéwagens. Alleen de bus, die we morgen nemen, mag nog een 30-tal miles verder. Nog verder dan de 45 miles kan niet meer omdat er een landverschuiving geweest is die nog steeds niet hersteld is. Op het 15 miles punt staan 2 rangers met een verrekijker op een driepikkel. Die verrekijker is zo krachtig dat we een aantal dall schapen op de tegenoverliggende vallei kant duidelijk kunnen zien. De ranger is heel hulpvaardig. Hij legt ons ook uit wat we morgen volgens hem best doen en geeft ook uitleg over hoe best te reageren bij een ontmoeting met een grizzly beer. Hij geeft toe dat hij misschien niet best geplaatst is om hierover raad te geven. Ter staving hiervan toont hij me al zijn ledematen die hij op 1, 2, 3 tevoorschijn kan toveren en die blijken vol met littekens te staan. Onze ranger had kunnen meespelen in de film The Revenant met Leonardo di Caprio. Hij raadt daarom sterk aan berenspray mee te nemen. Hij had die toen niet en draagt nu de gevolgen.
Na deze eerste kennismaking met Denali NP is het tijd om de innerlijke mens te versterken. We doen dit bij Moosaka waar ze naast moussaka ook nog andere gerechten hebben die wat afwijken van de traditionele US keuken. De reden is dat de eigenares van Servische komaf is en zich een beetje afzet tegen de Amerikaanse traditionele keuken. Met een sterke innerlijke mens gaat het een paar miles verder richting Anchorage waar we in de Denali Grizzly Bear resort inchecken. De eerste indrukken zijn niet overweldigend, ook al omdat er maar 30 minuten gratis Internet is. We passen hier wel op één of ander manier een mouw aan maar voor de blog is er ook nog een ander probleem naast het feit dat hier geen gratis Internet is en dat is dat de server van ReisMee down is (hopelijk was)