Van Condom naar Roncevalles

Dag 15: De tocht naar de jungle en de eerst nacht daar

We worden om 9:30 in het hotel opgepikt. In een ander hotel zitten nog twee jonge dames die ook naar Dracaena Nicky Lodge in de Cuyabeno National Reserve (500’000 ha groot) meegaan. Nathalie is van London maar werkt al 1.5 jaar in Quito als software developer. Ik zou aan haar accent gezworen hebben dat ze van de US is. Als ik haar zeg dat haar Queens English een beetje roest lijkt, is ze niet 100 % happy maar geeft toch toe dat het werken met Amerikanen zich laat voelen. Emily is van Houston. Ze heeft geen typisch Texaans accent, maar ik hou me gedeisd na mijn opmerking over het Queen’s English tegen Nathalie. Emily is al een maand in Peru, een maand in Mexico en een maand in Colombie geweest en is nu al een paar weken in Ecuador. Ze gaat volgende week naar huis (eens moet dat toch gebeuren). Nathalie en Emily zijn een perfecte match. Het is Melrose Place life. Alles is “cool”, “cute” en “to die for”. “Hello, birdie” en “Hey, froggie” zijn niet uit de lucht. Enfin, daar zullen we de volgende dagen moeten mee leven. Het is uiteindelijk 10:15 eer we de tocht naar Puente de Cuyabeno aanvatten. Het begin van de trip is door een vrij lelijk landschap. Later horen we dat tot 50 geleden Lago Agrio quasi niet bestond en dat de hele omgeving uit regenwoud bestond. Nu zijn de meeste stukken land totaal ontbost. Ik neem aan dat dit te maken heeft met de voorbijgaande Eldorado van de oliewinning. Overal staan woningen (of wat er moet voor doorgaan). Die woningen zijn van steen of van hout gemaakt en stralen pure armoede uit. Ik schat dat de helft leeg staat. Tijdens de anderhalf uur durende rit komen we door 4 dorpjes. Ieder van die dorpjes lijkt te bestaan uit een hoofdstraat (en verder geen zijstraten), een kerk (veruit het soliedste gebouw van het dorp), een paar winkeltjes en twee of drie bordelen. Ik vermoed dat, op uitzondering van de tewerkgestelden in de bordelen, iedereen in de petroleumindustrie werkt, want ik zie praktisch geen sporen van veeteelt en van landbouw al helemaal niets.

In Puente de Cuyabeno komen al de National Reserve reizigers samen. Een 30-tal verse toeristen worden afgezet aan de motorbootjes die hen naar één van de 12 lodges in de jungle gaan brengen en de 30-tal terugkerenden stappen in de taxi’s die net de nieuwe toeristen aanvoerden om terug te gaan naar Lago Agrio. Wij krijgen op het terrasje langs Cuyabeno de rivier een Ecuadoraanse versie van een “Bento box” geserveerd. Er is rijst met wat groeten en (nog minder) vlees erin, er is een linzenbrouwsel en een patat. Niet fantastisch, maar goed om de honger te verdrijven. Ondanks het feit dat we niets doen, zitten we te zweten als ossen (ik natuurlijk nog meer dan Gertrude maar dat is niet ongebruikelijk en bovendien gaat de vergelijking voor mij beter op dan voor Gertrude). Wat in feite alleen maar het laden van het bootje met een paar rugzakken en het eten van een hoopje rijst is, duurt uiteindelijk 2 uur, waardoor we pas om kwart voor twee richting lodge vertrekken. Alle bootjes voor de andere lodges zijn dan al weg en wij zitten in de meest afgelegen lodge = wij moeten verst varen = 2.5 uur. Niet logisch maar who cares?

We krijgen echter waar voor ons geld. Zowel de gids Pablo als mama Aurora (van de Sisona stam. Zij moet mee omdat we door het gebied van haar stam varen) als Nestor (de kanobestuurder, van de Quichua stam) kijken zeer goed uit hun doppen. Dit blijft niet zonder gevolgen, want we zien enorm veel dieren. We zien termieten op een levende boom. Pablo legt uit dat die er komen na de jaarlijkse “nuptial flight” en dat de werkers van deze termietenkolonie dagelijks naar beneden moeten kruipen om voedsel te halen van dood hout op de grond. De levende boom wordt enkel gebruikt om op te wonen. We zien een anaconda die Pablo op 2.5 m lang schat. De grootste kunnen volgens hem tot 7 m worden. We zien ook een groep squirrel monkeys. Dit zijn vrij kleine aapjes die van de ene naar de andere boom slingeren. Ze worden vergezeld van een paar capucijn apen. We zien ook vleermuizen op een dode stam. Hun camouflage is zo goed dat het een hele tijd duurt voor ik ze zie ondanks het feit dat ik maar een meter of twee van hen verwijderd ben. Verder zien we ook nog veel vogels van diverse pluimage. De meest opvallende zijn de oropendula’s met hun gele staart en hun hangnesten. We zien echter ook toekans en macau’s en kingfishers en aalscholvers en nog veel andere vogels waarvan ik de naam vergeten ben. Op een stuk boomstam zien we een hagedis van wel zeker een halve meter (zonder staart). Nu begrijp ik waarom Pablo vertelde dat hagedissen door anaconda’s gewurgd worden. Met de hagedisjes die ik voor ogen had zou de slang zich niet in voldoende kleine bochtjes kunnen wringen om de prooi te wurgen. Wat verder op onze boottocht zien we dan plots een heel gewriemel in het water. Wat er juist gebeurt, kunnen we niet zien omdat het water troebel en bruin is, maar plots zien we de rug van een enorme vis. De Arapaima gigans heeft longen (en moet dus bovenkomen) en kan volgens Pablo 3 m lang worden. Hij is op kleinere visjes (piranha’s, bocca chicca’s enz.) aan het jagen. Hoe hij zijn prooien ziet weet ik niet, want de zichtbaarheid in het water kan onmogelijk meer dan 1 cm zijn. Nestor heeft ook een kaaiman langs de oever zien liggen. Het ziet er een stevige knaap uit, maar ook stevige knapen gaan onderuit. Een dode kaaiman met 2 gieren die hem aan het oppeuzelen zijn leveren een beetje verder het levende (?) bewijs daarvan. Het allerspeciaals blijkt een luiaard te zijn. Die dieren ziet men niet zo dikwijls, zegt men. Nathalie en Emily roepen uit dat dit iets “to die for” is. Ik ga het niet doen, maar probeer toch een goede foto te schieten. De luiaard zit erg hoog op een boom wat hem volgens mij niet kwalificeert voor de beschrijving “luiaard”. Bovendien hangt hij niet op zijn Nationaal Geographic’s aan een tak te bungelen, maar zit hij goed verscholen tussen de bladeren, waardoor men maar een donkere vlek ziet. Hopelijk kan ik op de foto’s het gezicht van de luiaard uitvergroten.

Het is uiteindelijk ruim na 5u voor we in de lodge aankomen. We worden wat wegwijs gemaakt in de gebruiken van de lodge (bv. dat er maar vanaf 6 pm elektriciteit is) en krijgen onze hut toebedeeld. Het hele complex bestaat uit 5 kamergebouwen (4 met elk 2 kamers en 1 met 3 kamers. Iedere kamer heeft één dubbelbed en één 1-persoonsbed, waardoor een 30-tal mensen te slapen kunnen gelegd worden). Wij trekken zo snel mogelijk het muskietennet over ons bed en steken alles wat we niet nodig hebben onder het muskietennet van het 1-persoonsbed, omdat we op die manier hopen ongewenste gasten buiten te houden. De kamers zijn namelijk volledig open voor Moeder Natuur en we slapen onder een dak van palmbladeren.

Om 6 uur is de eerste activiteit: een nachtwandeling. We krijgen rubberen laarzen. Pablo heeft een goede looplamp, Nathalie ook maar die geeft er jammer genoeg zeer snel de brui aan, Emily’s lamp is maar een lampje en ons koplampje is ook maar beperkt bruikbaar (eigenlijk alleen maar om te lezen of het toilet te vinden). Hierdoor zijn we allemaal in min of meerdere mate aangewezen op Pablo’s licht maar ondanks deze beperkingen zien we toch erg veel, vooral spinnen van alle maten en gewichten. Sommigen zijn (voor ons) echt schrikwekkend. N&E vinden ze echter allemaal “so cute”. Ik ga het nog op mijn heupen krijgen met die twee, maar doe mijn uiterste best mijn mond te houden. Ik moet wel meegeven dat ze veel beesten zien en er blijkbaar heel wat van weten. Rond 8 uur is de tocht over, spoelen we onze laarzen af en kunnen we aan tafel gaan. Het eten is echt lekker en ook de gesprekken zijn goed. Naast ons zitten een aantal Nederlanders die een aangename verandering van spijs zijn ivm N&E. Er zit in de groep ook een Dilbekenaar, die van op reis gaan een beroep gemaakt heeft. Hij reist iedere maand 3 weken naar alle kanten van de wereld om gedurende de laatste week van de maand een rapport te schrijven en dan weer te vertrekken. Het lijkt ons (en het leek hem) een droomjob, maar hij zegt ons dat het erg lastig is om altijd weg te zijn van de familie (ik kan mij daar iets bij voorstellen, want mijn professioneel leven was niet veel anders; alleen mocht ik alleen vergaderzalen bezoeken ipv toeristische plaatsen).

Na het eten gaan we naar bed door zo voorzichtig mogelijk onder het muskietennet te kruipen. Ik lig aan mijn gebruikelijke kant, waardoor ik niet een paar keer weer onder het muskietennet moet duiken om een bril of de laptop of de Kobo weg te leggen. Onze Nederlandse buren zijn ook in hun bed aan het kruipen maar zij hebben minder geluk met ongedierte dan wij. Opeens horen we het meisje gillen dat er een pad in hun bed zit. Eens dit obstakel opgeruimd is, denken zij (en wij) dat het over is, maar neen, nu wordt het arme meisje aangevallen door een enorme (afgeleid van het volume van haar schreeuw) mot. Uiteindelijk keert de rust terug en kunnen we allemaal redelijk slapen.

Reacties

Reacties

Paul

In navolging van de Dilbekenaar kunt ge uw reiswerhalen ook wel gelde maken.

{{ reactie.poster_name }}

Reageer

Laat een reactie achter!

De volgende fout is opgetreden
  • {{ error }}
{{ reactieForm.errorMessage }}
Je reactie is opgeslagen!