Van Condom naar Roncevalles

Proloog voor de staptocht van Condom naar Roncesvalles

Ik kan me zo voorstellen dat jullie niet specifiek op een nieuwe blog van mij zitten te wachten. Een mens heeft wel andere dingen te doen dan een dagelijks reisverslagje te lezen. Maar er zijn minstens drie redenen waarom ik weer van plan ben in de (cyber)pen te kruipen. Ten eerste, omdat ik het niet kan laten, ten tweede omdat ik denk (hoop) dat er mensen zijn die plezier beleven aan het dagelijks lezen van een portie lief en leed van een paar vrienden / familieleden en ten derde, en waarschijnlijk niet het  minst belangrijk, mijn geheugen wordt met de dag slechter en wat opgeschreven staat gaat niet verloren. “Verba volant, scripta manent” zou de, zeker tot oktober, eerste burger van Antwerpen zeggen.

De laatste blog die ik plaatste dateert van oktober 2017. Toen waren we in Ecuador en de Galapagos Eilanden. Nu zal ik vanuit Zuid West Frankrijk schrijven. Dat dit een minder exotische bestemming is zal me niet beletten er nu al met veel goesting (zou de “Queen van Aarschot” zeggen) naar uit te kijken en er, binnen een paar dagen, over te schrijven. Ik hoop dat ik een trouwe schare lezers zal kunnen boeien en, wie weet, aanzetten tot een vergelijkbaar avontuur(tje).

De plannen voor deze tocht zijn reeds lang aan het rijpen (zoals het bier achter de muur van Moortgat). Het begon allemaal 25 jaar geleden toen Wilfried, de man die zijn volk leerde stappen, zichzelf voor zijn 50ste verjaardag een voettocht van Saint Jean de Pied de Port, een stadje in de Pyreneeën, naar Santiago de Compostella, een stad in Galicië, cadeau deed. Over de jaren heeft hij er stukken van de Via Podensis (één van de vier officiële Santiagowegen door Frankrijk, van Le Puy en Velay, in het Centraal Massief, tot Saint Jean de Pied de Port, in de Pyreneeën) aan gebreid. Het ontbrak Wilfried echter nog aan een stukje van ongeveer 210 km van de Via Podensis (tussen Condom en Saint Jean de Pied de Port) om een volle aflaat te kunnen claimen. Toen Wilfried me vertelde dat hij dit stukje voor het jaar van zijn 75ste verjaardag opgespaard had, was ik er als de kippen bij om te vragen of hij het zag zitten zich door mij en Gertrude te laten vergezellen. Nelly zou ondertussen, naar goede gewoonte, gemotoriseerde toerist, restaurantverkenner en bezemwagen spelen. Dit zijn trouwens taken waarvan de waarde niet kan overschat worden.

Zo gezegd, zo gedaan en nu staan we dus aan de vooravond van een trektocht die ons in een tiental dagen door een drietal departementen van Frankrijk naar Spanje zal brengen. We stoppen namelijk niet in Saint Jean de Pied de Port maar stappen, als kers op de taart, van Saint Jean de Pied de Port, over de Pyreneeën, naar Roncesvalles in Spanje, kwestie van de volle aflaat heel echt verdiend te hebben. Als Hannibal met zijn olifanten over de Alpen kon dan moeten wij toch over de Pyreneeën kunnen !!

De hotelletjes en B&B’s zijn geboekt (en bevestigd), de tracks zijn op de GPS opgeladen, de zonnecrème (voortgaande op de huidige weersvoorspellingen lijkt dit wat optimistisch) is gepakt, de Brufens en Compeeds zitten in de rugzak, de schoenen zijn ingesmeerd, …. kortom, de organisatie staat op punt, en wij zijn dus min of meer klaar om te beginnen stappen (al moet gezegd dat we nog nooit zo weinig kilometer in de benen gehad hebben als nu. Laat ons dus hopen dat we met goede stapgenen in de wieg gelegd zijn.

Ik zal proberen jullie op de hoogte te houden van het wel en wee van onze expeditie. Houd u vast, daar gaan we

Lectori salutem

Epiloog voor EcuGal

Beste trouwe lezers,

laat me beginnen met een verontschuldiging. Ik weet dat het lang geduurd heeft vooraleer deze laatste post gekomen is. Daar zijn allerlei verklaringen / excuses voor. Zo moesten we de kinderen (en kleinkinderen) gaan bezoeken, moest het gras gemaaid worden voor het weer eens regende, moest al een eerste autolading bruine bladeren verzameld en naar het containerpark gebracht worden, moest de correspondentie opgehaald (en voor 95% rechtstreeks in het papier afval gekieperd) worden, moesten een aantal administratieve zaken geregeld worden, moest de kachel aangestoken en aangehouden worden ... en .... moesten de voorbereidingen voor de volgende uithuizigheid (= maandag, vandaar dat het de moeite niet loonde om de vloerverwarming aan te zetten) getroffen worden. Het is echter niet allemaal slecht. Voor mij is het voordeel dat ik de “grote samenvatting” met wat meer afstand kan schrijven, voor jullie is het voordeel dat jullie wat kunnen bekomen hebben van mijn dagelijks gebrabbel (en dat jullie nu zeker weten dat dit de (voor deze reis) laatste post is).

Normaal trachten we een bestemming te kiezen die het midden houdt tussen natuur en cultuur. Ecuador & Galapagos hebben cultuur (pre en post Colombiaans) en natuur, maar het is duidelijk dat het aspect natuur de bovenhand had in deze trip. Dat is niet verwonderlijk (en was derhalve verwacht) met bijna de helft van de reistijd op Galapagos (8 dagen) en in de jungle (4 dagen).

De dieren op de Galapagos eilanden beantwoordden aan de (hoog gespannen) verwachtingen. We zagen inderdaad een hele reeks ongewone dieren (enorm grote schildpadden, enorm lelijke iguanas, enorm speelse zeeleeuwen, enz.) en konden hen inderdaad (zoals in de boekjes) tot zeer dicht benaderen, zowel te land als ter zee. Gertrude maakte hiervoor zelfs haar haar nat. Harro, Broeva. Het snorkelen was plezant al dient gezegd dat duiken plezanter is en dat het duiken in Azië plezanter was omwille van het warmere water, de nog grotere diversiviteit aan tropische vissen en de nog betere zichtbaarheid. Dat de zichtbaarheid meestal beperkt was tot 5 á 6 m (ipv 10 tot 20 m in Azië) was misschien het gevolg van het woelige water. Dit woelige water had trouwens niet alleen een impact op de zichtbaarheid onder water maar ook op ons algemeen welgevoelen boven water. We hadden op een grotere boot meer dan waarschijnlijk iets stabieler gezeten. Hoe veel stabieler weet ik niet, ten eerste, omdat ik geen cruisoloog ben en, ten tweede, omdat de grootste boot die in Galapagos toegelaten is maximum 100 man aan boord kan hebben. Dat is dan wel meer dan 3 keer meer dan op onze Lonesome George maar of dit betekent dat de boot 3 keer stabieler is, weet ik niet. Bovendien was onze Lonesome George een catamaran die in principe stabieler zou moeten zijn dan een schip met 1 romp zoals de boten met grotere capaciteit zijn. Conclusie: ik weet het niet, maar had het belang van het tijdstip van het bezoek (september staat niet bekend om zijn rustig weer) onderschat, zeker voor zeeziekte gevoelige personen als wij.

Het vasteland van Ecuador was dan weer een grote onbekende. We wisten niet goed wat te verwachten op onze meer dan 3000 km lange rondrit, maar we hebben er wel van genoten vooral van de natuur maar ook van de cultuur.

Zo was er de trip in de jungle, die erg goed meegevallen is. We waren in Borneo en in Maleisië al  een paar dagen in de jungle getrokken, maar Ecuador was om allerlei redenen anders. We zaten bv verder van de bewoonde wereld, we zagen andere dieren, we bezochten die dieren op een andere manier en we bezochten ook gedurende driekwart dag een lokale gemeenschap. We zagen zeer veel verschillende dieren in hun natuurlijke habitat al deden ze hard hun best om zo weinig mogelijk op te vallen. Dat zou hen goed gelukt zijn, hadden we geen uitstekende gids gehad. De kleurrijkste vogels (macaus, toekans, ara’s, enz.) waren, naar onze smaak, wat ondervertegenwoordigd in vergelijking met een aantal minder spectaculaire soorten maar camouflage is hun goed recht ... en meestal van levensbelang voor hen.

Naast de jungle waren er natuurlijk ook de “highlands” en die waren inderdaad erg “high”. Onze wandelingen rond het Cuicocha meer, langs de watervallen in Banos, in het Las Cajas park, aan de Quilotoa en de Cotapaxi (slapende) vulkanen waren allemaal in de buurt van de 4000 m met de 5100 m hoge lagune op de Chimborazo als absoluut hoogtepunt. De zelfvoldoening na iedere sportieve “prestatie” was groot, omdat er iedere keer weer hard moest gezwoegd worden zowel omwille van de ijlheid van de lucht als omwille van onze povere conditie. Gelukkig was Christian meestal bij (= een eindje vóór) ons en waren alle padenzeer goed onderhouden en aangegeven. (dat was op bepaalde forums anders aangegeven).

Op het vlak van de cultuur was er natuurlijk Ingapirca met zijn overblijfselen van Cañari en Inca civilisaties en waren er de vele kerken die de Spanjaarden in de plaats van de bestaande tempels neerpootten. De historische centra van Cuenca en Quito zijn aangename plaatsen, maar al bij al overtreffen naar onze smaak zowel de ruïnes als de nalatenschap van de Spanjaarden in Peru of Mexico wat we zagen in Ecuador.

Op het gebied van veiligheid hadden we in Ecuador geen klagen (een verademing na wat we eerder dit jaar in Spanje tegengekomen zijn). Misschien had dit te maken met de vele politie, die we overal zagen en mogelijks ook met de voorzichtigheid die Christian, onze gids / chauffeur aan de dag legde. Christian viel trouwens ook heel erg mee. Tijdens de eerste contacten via Skype was de interactie met hem sympathiek, maar maakte hij een vrij ongeorganiseerde indruk (en dat voor een Duitse Ecuadoraan of eerder een Ecuadoraanse Duitser, zoals later bleek). Eens we ter plekke waren bleek alles goed georganiseerd te zijn. Het feit dat Christian zowat overal goede contacten had zal zeker ook een rol gespeeld hebben.

Over de andere aspecten die op reis een belangrijke rol spelen zoals eten en weer kunnen we ook niet klagen. In het algemeen was het eten lekker. De ontbijten waren iedere morgen (ongeacht of we op een boot, op een berg of in de jungle zaten) uitgebreid met brood, cereals, fruitsap, thee/koffie, een eitje (of twee) en fruit. Voor de middag- of avondmalen konden we variëren tussen rund, varken, geit, kip, lam of Guinees biggetje met daarbij altijd de obligate rijst en patatjes. Die maaltijden waren, met uitzondering van de Galapagos eilanden, steevast erg goedkoop en leverden (ondanks het feit dat we na een tijdje zelfs de salades begonnen te eten) geen darmproblemen op. Ook goed meegenomen, als men dagelijks van één plaats naar de andere trekt.

Met het weer hebben we ook geluk gehad. Voor de Galapagos eilanden had de zee iets rustiger mogen zijn en voor het bezoek aan de hoogste bergen hadden de wolken beter iets verder van de bergtoppen mogen wegblijven, maar men kan niet klagen als men op 4 dagen in het regenwoud maar één keer regen heeft en op de overblijvende 22 dagen maar op twee namiddagen wat regen krijgt (terwijl we toch in de auto zaten). Voor zo’n deal wil ik altijd tekenen zeker als men weet dat tegelijkertijd Harvey, Irma en Maria op slechts 2000 km van ons vandaan lelijk huishielden en Mexico getroffen werd door een aardbeving.

Conclusie: we hebben er weer een zeer mooie reis opzitten. Ik hoop dat jullie een beetje kunnen meegenieten hebben. Ik zou jullie willen bedanken voor het trouwe lezen en reageren op de blog. Dit motiveert om verder te schrijven, waardoor we, als we oud en stijf zijn en niet meer zo ver zullen gaan, de verslagen weer ter hand zullen kunnen nemen en mijmeren over wat we zo allemaal meemaakten.

Tot de volgende keer

Dag 26: Een dagje in Quito en dan het vliegtuig op

Vanmorgen zit het zonnetje weer te schijnen (ik denk niet dat dit bij de Gantoise ook het geval is). We nemen op ons gemakje Het Laatste Ontbijt in Ecuador, want we moeten maar om 9 uur klaar staan voor de toer door Quito (met onze bagage in bewaring in het hotel). Eerst gaan we naar El Teleferico. Die brengt ons zonder enige inspanning van onze zijde tot op 4100 m hoogte. Het zicht op Quito is adembenemend. Spijtig genoeg meer door de hoogte dan door zijn pracht. We staan dan wel op de Mirador de los Volcanes, maar van de volcanes is maar hier en daar een beetje te zien. De reden is dat er een wolkendek boven de bergen hangt. Boven Quito zelf is het echter zonnig, waardoor we de stad aan onze voeten wel kunnen zien … al zou een beetje minder luchtvervuiling het zicht significant verbeteren. We stappen hierboven nog naar een moderne kapel, die jammer genoeg gesloten is waardoor we de glasramen die er mooi uitzien niet echt goed kunnen bekijken. We stappen ook nog naar de Mirador del Norte waar we ongeveer hetzelfde zien als van de Mirador de los volcanes (= te weinig naar mijn smaak). Enfin, we hebben de teleferico gedaan en het heeft ons maar 13 $ gekost, omdat we ons beiden uitgegeven hebben als zijnde van de tercera etad.

De tweede stop van de dag is bij de Virgen de la Panecilla. Virgens hebt ge hier van alle soorten (en ik bedoel niet die soort die de moslims als ultieme ambitie hebben). Men heeft hier in Ecuador de Virgen Dolorosa, de Virgen del Rocio, de Virgen de las Nieves, de Virgen de los Remedios, enz., enz. . Onze virgen van de dag is dus zoals gezegd de la Panecilla (= van het broodje genaamd naar de heuvel waarop de Virgen geplaatst werd. De Spanjaarden noemden deze heuvel la panecilla = het broodje omdat die heuvel de vorm van een broodje had). Op de meer dan 3000 m hoge heuvel staat een 45 m hoog beeld dat uit meer dan 7000 stukjes aluminium gemaakt is. De plaats is mooi, maar het beeld is wat raar omdat men de naden tussen de stukjes aluminium nog allemaal ziet. Christian zegt dat het beeld een gift is van de Fransen toen Ecuador onafhankelijk werd van Spanje … om op die manier de handel te smeren (zoals ze deden toen ze het Vrijheidsstandbeeld aan New York schonken). Ik ben niet overtuigd dat deze uitleg klopt, want ik heb ook ergens gevonden dat het beeld dateert van 1976. Hoe dan ook we hebben deze Virgen gezien en Gertrude heeft een halssnoer aan de voet van de Virgen kunnen kopen en dus zijn we gelukkig.

Daarna is het de bedoeling de auto te parkeren en te voet de stad verder te verkennen. Dat is echter makkelijker gezegd dan gedaan. Het verkeer in Quito centrum is één grote miserie (en dat hebben we kunnen zien toen we bovenaan de teleferico de luchtvervuiling stonden te bekijken) en dat is vooral te wijten aan de hoeveelheid mensen, die hier wonen, maar ook aan het feit dat men voor het ogenblik een metro aan het bouwen is waardoor zeer veel straten afgesloten zijn. Uiteindelijk geraken we de wagen kwijt en kunnen we onze voettocht aanvatten. We lopen eerst tot aan de kerk van de Dominicanen. Die waren hier pas na de Franciscanen (#1) en de Jesuieten (#2) waardoor ze hun kerk rap rap moesten bouwen (vandaar dat die kerk het met één toren moet stellen en daarom de manke genoemd wordt) om te vermijden dat alle giften van gelovigen naar de Franciscanen en de Jesuieten zouden gaan. Daarna gaan we door de artiestenbuurt naar de kerk van de Franciscanen. Die is al meer met goud belegd. Niet echt in de spirit van Franciscus, maar we hebben op andere plaatsen ook al gezien dat de spirit soms snel verwatert. Uiteindelijk gaan we naar de Jesuieten kerk. Dit is de enige kerk waarvoor we inkom moeten betalen. Het is dan ook een schatkamer met bladgoud waar we ook kijken. Gelukkig heb ik mijn zonnebril nog op, waardoor ik totale verblinding kan vermijden. Christian geeft bij dit alles een woordje uitleg. De Jesuieten waren ook eerder al eens het voorwerp van een gesprek in de auto. Christian vertelde toen dat de Jesuieten hun rol in het onderwijs ge(mis?)bruikten om macht en rijkdom te verwerven. Het is in deze kerk duidelijk dat ze slaagden in die betrachting. Een kerk met zoveel goud heb ik nog niet veel gezien … en ik heb er toch al een paar gezien.

We lopen ook nog eens in het aartsbisschoppelijk paleis binnen. Dit paleis werd een tijdje geleden omgebouwd tot commercieel centrum met allerlei winkeltjes en restaurantjes . Het laatste bezoek is een winkel van Pakari. Pakari is een fabricant van allerlei chocolades die prijzen gewonnen hebben op wereldwijde competities. Wie zegt dat al onze reizen eindigen met het bezoeken van wijngaarden en proeven van hun producten? Die zullen nu voorgoed de mond gesnoerd zijn, want deze reis eindigt met het bezoek en proeven van chocolade. Er wordt chocolade van 70, van 60 en van 50% geproefd. Er wordt chocolade verkocht met geroosterde  mais, met chili, met gember, met yucca, met koffie, met rozen, met …. ge kunt het zo zot niet bedenken of het kan in chocolade gestoken worden. Uiteindelijk worden een aantal pakjes gekocht die, als ze al niet opgegeten zijn door het chocolademonster,  te proeven zullen gegeven worden aan “wie braaf is” (wie stout is krijgt de roe).

Nu zijn we echt in de laatste rechte lijn en spenderen de laatste paar uur in de luchthaven wachtend op onze vlucht. Het boarden blijkt hier namelijk 2.5 uur voor het verteek van het vliegtuig te beginnen. Gelukkig is er Internet waarvan ik hopelijk gebruik kan maken om deze laatste episode (op uitzondering van de Epiloog) kan posten

Lectori salutem

Dag 25: Quilotoa, Cotapaxi en terug naar Quito

De laatste paar blokken hout hebben de nacht in het kacheltje niet overleefd, maar wij hebben de nacht wel overleefd. We hadden wat schrik voor een CO vergiftiging en hadden dus maar voor alle zekerheid een venstertje open gezet. Ik weet niet of het door dit venstertje was, maar ik heb zeer goed geslapen. Ik ben wel om 4 uur wakker geworden (=geen wonder na 6 uur) maar heb dan nog 2 uur intermitterend geslapen. Niet slecht. Rond 6:30 besluit mijn blaas dat het welletjes geweest is en sta ik op …. om een glorieus mooie blauwe hemel te zien. Het ziet ernaar uit dat Blauw vandaag een eclatante zege in de wacht gaat slepen. Hopelijk doen die Blauwen van de Gantoise het deze namiddag even goed. We volgen die kadees op de voet om te zien wat het “afwezigheid van Hein effect” zal zijn.

Vandaag bezoeken we de Quilotoa echt en met een 1 – 0 stand voor de Blauwen. Allée, de Buffalo’s. De zon, die stralend boven ons staat verdrijft de ochtendkilte (op 4000 m is dit niet ongebruikelijk) snel. We wandelen vanaf het dorpje (= de verzameling van brique à braque in elkaar geflanste hotelletjes en restaurantjes) in tegenwijzerzin omdat we op die manier naar die kraterwand kijken die door de opgaande zon belicht wordt( goed voor de foto’s). Het plan is om de kraterrand op en neer te volgen tot aan een mirador genaamd Chalalà. Dit zou ons ongeveer één uur moeten vergen. De uitzichten op het 150 m diepe kratermeer zijn spectaculair en we zien ook zeer duidelijk aan de andere kant van het kratermeer twee bergtoppen die broederlijk naast mekaar staan. Die bergen zijn de Ilinisas bergen. Wetenschappers denken dat deze twee bergen ooit samen één vulkaan vormden tot er een wat te enthousiaste eruptie kwam. Als dit waar is zou die vulkaan 9 à 10’000 m hoog geweest zijn en dus veruit de hoogste berg van de wereld geweest zijn (ook zonder de truc van de afstand van het midden van de aarde ipv boven zeeniveau).  Onze wandeling is dan wel niet 9000 m hoog, 4000 m is ook al niet niets. Goed dat we hier op het einde van onze rondreis door Ecuador komen, want zelfs nu worden we de hoogte nog goed gewaar. Hier duizelig rondlopen is trouwens geen goed idee, want het concept van een balustrade langs de diepe afgrond is hier onbestaand. Uiteindelijk komen we gezond en wel aan het uitzichtpunt Chalalà. Dit werd met hulp van Spanje gebouwd en het is duidelijk dat dit project een Eurootje mocht kosten. De houten constructie is Z - vormig met een glazen balustrade waardoor men vanop twee niveaus de omgeving kan bekijken. Erg mooi gedaan. We genieten nog wat van het uitzicht en vatten dan de terugweg naar ons hotelletje aan. Hierbij vertelt Christian het verhaal van een Noorderbuur die samen met een tourgids uit Quito een mooi hotel hier in Quilotoa had opgezet. Dit hotel lag iets buiten het dorp omdat de dorpelingen geen vreemdelingen in hun dorp wilden. Na twee jaar bleek dit hotel zeer succesvol, omdat goede service geleverd werd. Dat stak de dorpelingen de ogen uit en daarom pestten ze de Nederlander en de Quitoenaar  hier weg (= verplichtten ze hen het hotel aan hen te verkopen). Nu een paar jaar later werkt dit hotel met verlies en wil geen enkele touroperator nog klanten naar dit hotel sturen. De teloorgang van de Quilotoahoek, met andere woorden.

Na dit verhaal pikken we onze valies op en vertrekken richting Cotopaxi Nationaal Park. Ondertussen hebben de wolken tegengescoord. De bordjes hangen nu gelijk met Blauw 1 – Wolken 1. Dat belooft niet veel goeds want Christian zegt dat er in de richting van de Cotapaxi vulkaan nog het meeste wolken samengepakt zitten. De Cotopaxi is (volgens sommige bronnen) de tweede hoogste actieve vulkaan ter wereld en tweede hoogste berg van Ecuador (5897 m) maar het zou goed kunnen volgens Christian dat we de Poulidor van de bergen helemaal niet te zien krijgen. En inderdaad, naarmate we dichter en dichter bij het Cotapaxi nationaal park komen worden de wolken donkerder en dreigender.  De stand staat nu Blauw 1 – Wolken 2 en de verdediging van Blauw staat te bibberen op hun benen. Wij laten ons echter niet zo maar uit ons lood slaan en besluiten het geplande wandelingetje rond de lagune toch maar te doen. Veel is er niet te beleven omdat het attractiepunt van deze wandeling het uitzicht op de Cotopaxi vulkaan is en die zit nu gehuld in de wolken. Tegen het einde van de wandeling zijn hier en daar wat sporen van de besneeuwde flanken van de vulkaan te bespeuren maar om een 2 – 2 stand te claimen is het aandeel Blauw toch net niet groot genoeg. We blijven nog wat wachten, maar zien hoe de wolken de situatie blijven beheersen. Als er ergens een wolk wegdrijft is er altijd wel een andere die de plaats inneemt.

De situatie wordt nog slechter naarmate we Quito naderen. Het begint nu namelijk ook te regenen. In plaats van 2 – 2 wordt het 1 – 3 en is het game over. (ik heb later kunnen zien dat het met mijn Gantoise al niet veel beter verlopen is). Al met al kunnen we echter over het weer niet klagen, want we hebben vandaag weer alles kunnen bezoeken wat we gepland hadden. We checken in het hotel San Francisco de Quito dat Christian een paar dagen geleden gereserveerd heeft . Dit hotel ligt midden het historisch centrum van Quito. Het hotel ziet er erg mooi uit en we krijgen de matrimonial suite. Deze kamer (suite wijst er alleen op dat er een klein keukenhoekje is) heeft een fantastisch uitzicht over de stad maar heeft één groot nadeel: we moeten 5 verdiepingen omhoog en een lift is niet te bespeuren. Gelukkig heeft Gertrude een muilezel mee om alles naar boven te sleuren. Het uitzicht vanop onze kamer is echter zeer mooi. Dit nodigt ons uit om in de omliggende straten naar een terrasje te gaan speuren … maar vinden dat niet. Het concept van terrasjes bestaat hier quasi niet. Misschien is dit wel een serieus gat in de markt. Door de afwezigheid van terrasjes en door het feit dat het weer begint te regenen zijn we verplicht vroeger dan gepland te gaan eten in La Vista Hermosa, zo genoemd omdat het restaurant (ook) 5 verdiepingen hoog is (maar hier is wel een lift, zo nog een echte met een liftboy die de deur moet open en toe doen) en een prachtig uitzicht over de stad biedt. Na het lekker eten wandelen we terug in de wetenschap dat ons verblijf hier in Ecuador op zijn laatste benen loopt. We gaan eerst nog eens goed slapen en dan zien we morgen wel.

Buenas Noches

Dag 24: Van Cuenca naar Quilotoa

Vandaag is het een lange rit en we hebben derhalve besloten vroeg te vertrekken. Om 8 uur staan we gepakt en gezakt klaar. Eerst gaan we naar Ingapirca. Daar zijn de enige ruïnes in Ecuador uit de Inca tijd, die het vermelden waard zijn, zeker als men voordien al Peru bezocht heeft. Het interessante aan het bezoek aan Ingapirca is de samenhang van twee culturen . De Cañari’s regeerden de omstreken van Cuenca tot in de 15de eeuw. De Inca’s kwamen hier in de streek van Cuenca om hun imperium uit te breiden. De Cañari (vogeltjes) lieten zich echter niet zomaar kooien en boden hevige tegenstand. Hierdoor besloten de Inca’s met hen samen te werken ipv te vechten. De samenwerking ging zelfs tot tussen de lakens toen de prinses van de Cañari’s huwde met de prins van de Inca’s. Veel resultaten van de samenwerking zijn er niet, omdat kort nadien de Spanjaarden hier toekwamen, onder andere om het ware geloof  in deze contreien te verspreiden. Wat wel overblijft zijn de ruïnes van Ingapirca. Dit tempelcomplex heeft enerzijds funderingen van Cañari gebouwen (gekenmerkt door het gebruik van rivierstenen die op mekaar gestapeld zijn met een soort mortel ertussen) en anderzijds funderingen van Inca gebouwen (gekenmerkt door vulkanische stenen die naadloos en zonder enige specie op mekaar gestapeld werden). Conclusie: dit is geen Machu Pichu, maar toch de moeite om eens in rond te lopen.

Nadien vatten we de lange rit richting Quilotoa aan. Tot een 50-tal km voor de bestemming wisselen licht gemiezer met gewone bewolking af. Op 50 km voor de bestemming begint het dan echt te regenen. Geen stortbui maar toch meer dan gemiezer. Dat voorspelt niet veel goeds voor het bezoek aan Quilotoa. Gelukkig houdt het regenen net voor we aankomen op. Wel is het hier serieus koud (geen wonder gezien het feit dat we op 4000 m zitten). Er komen zelfs blauwe plekken in de lucht. Gaat blauw dan toch nog scoren in Mazzu time? Laat ons hopen dat we evenveel geluk blijven hebben als  we tot nu gehad hebben.

Eerst moeten we echter een plaats vinden om te overnachten. Quilotoa is de enige plaats waar we, om allerlei redenen, vooraf geen boeking gemaakt hebben. We stoppen bij één van de weinige hotelletjes ,die de plaats rijk is. Het is reeds aan de buitenkant van het dorpje en van het hotelletje duidelijk dat we, zelfs als we zeer hard zoeken, hier geen suite te pakken zullen krijgen. De kamer die we toebedeeld krijgen, is borderline OK maar ziet er proper uit. Het feit dat het hier (binnen en buiten) koud is draagt niet bij tot een wild enthousiasme over de geboden kamer. De bazin zegt echter dat ze onmiddellijk het kacheltje, dat midden in onze kamer staat, zal aansteken. Laat ons hopen dat dit het enthousiasme gehalte zal opkrikken. In afwachting gaan we naar de Quilotoa krater kijken (men weet maar nooit dat het morgen weer regent). De krater is maar een paar honderd meter voorbij het hotelletje en is erg impressionant.  Men staat op de kraterrand, de hele caldera is zeer mooi afgelijnd en gevuld met een groot meer … dat blauw is als de zon erop zit, zegt Christian. We geloven hem blindelings, want we zijn al blij dat het niet regent en dat Blauw en Wolken verlengingen willen spelen. Er staat een scherpe wind, waardoor we het bezoek aan de kraterrand kort houden.

Terug in het hotel is onze kamer al veel aangenamer doordat het kacheltje zijn best staat te doen. Beneden in de eetplaats is het veel kouder omdat het kacheltje daar later aangestoken is en omdat altijd wel iemand de deur laat open staan. De grootste zondaars zijn  twee Indische gezinnen die hier binnen en buiten lopen. Zij worden waarschijnlijk zelf de koude niet gewaar omdat ze gekleed lopen alsof ze op poolexpeditie vertrekken (mutsen, sjaals, handschoenen, tutti quanti). De bazin en haar dochter (vermoed ik) zijn trouwens ook goed gekleed. Ze hebben de traditionele hoed op en dragen over hun kleren (ik wil niet weten wat dat allemaal is) een deken dat ik herken van in onze kamer. Alleen Christian en wij twee lopen “normaal” (een lange broek, een T shirt en een fleece) gekleed.

We hebben de mogelijkheid om in één van de andere hotelletjes te eten of hier te blijven eten. De keuze is vlug  gemaakt, als we denken aan de koude wind buiten. We besluiten een pizza te bestellen. Ik een medium met champignons en Gertrude een klein formaat Hawaien.  De bestelling laat, naar Ecuadoraanse normen, op zich wachten maar dat is niet erg want ik slaag er ondertussen in de blog van gisteren te posten. Bovendien zitten we dicht bij het kacheltje waardoor onze knieën aangenaam warm zijn. Meer achtergestelde gebieden zijn wel tamelijk fris, maar dat komt straks wel in orde als we ons achterste eens naar de kachel richten. Plots begrijpen we waarom het tamelijk lang duurt.  De schoonzoon komt met een verse ananas door de eetzaal naar de keuken gestapt. De brave man is naar Hawaï moeten gaan. De pizza’s, die nu binnen de 5 minuten geserveerd worden zijn zeer lekker en ruim voldoende (gelukkig schiet Christian me ter hulp door 2 stukken van mijn pizza naar binnen te werken).  Onmiddellijk na het eten ga ik ons kacheltje op ons kamer van een paar bijkomende stukken hout voorzien. We willen ten alle prijze vermijden in een koude kamer in een koud bed te moeten kruipen. Daarna zitten we nog wat aan ons eetzaalkacheltje de krant te lezen waarbij Gertrude de parallel trekt met de eetzaal in de woestijn op de grens tussen Bolivia en Chili. Dat is echter wat overdreven. Daar was het nog even andere koek met buitentemperaturen van -17° C (en binnentemperaturen die waarschijnlijk ook beneden het vriespunt waren) en een kacheltje dat maar gevoed werd met een paar stukken gedroogd mos voor de hele avond. Hier is voor de hele avond zowel op onze kamer als in de eetzaal ruim voldoende hout beschikbaar.

De hele avond is trouwens een eufemisme want om 10 uur zitten wij al onder de lakens voor een hopelijk goede nacht.

Slaapwel

Dag 23: Een dagje in Cuenca

Deze morgen zijn we maar om 9 uur met Christian afgesproken. Eerst gaan we naar de hoofdpost van Cuenca. We zijn daar gisteren ook al geweest om na te kijken of ze misschien postzegels met “peten” hadden. De mevrouw aan het loket zei me dat ik morgen om 8 uur weer bij haar en naar hetzelfde loket moest terugkomen. Daar zijn we dan (zij het met een uur vertraging). Nu zegt dezelfde dame aan hetzelfde loket me dat ze geen postzegels met “peten” heeft. Dat had ze me ook gisteren kunnen zeggen, maar ik heb geen zin in een zinloze discussie in mijn zondagse Spaans.  

Na deze episode kunnen we het echte bezoek aan Cuenca beginnen. We wandelen op ons gemak van de ene kerk naar de andere. Het valt ons op dat er eigenlijk geen enkele mooi te noemen valt. In vergelijking met veel kerken in andere landen in Latijns Amerika of Europa zien ze er tamelijk armtierig uit. Dikwijls zijn kerken overladen met allerlei ornamenten langs de buitenkant en, zeker in Latijns Amerika,  moet men een zonnebril opzetten als men richting altaar wil kijken. Hier zijn we dit nog niet tegengekomen, maar dat wil niet zeggen dat de kerken daarom mooi zijn door hun soberheid. Ze zijn gewoon niet mooi. De mooiste is mogelijks de nieuwe kathedraal (de oude staat aan de overkant van het plein) die eind 19de eeuw gebouwd werd door een Duitse schrijnwerker die Redemptorist geworden was en hier aanbelandde om de gewonnen zieltjes te onderhouden. Eens hier kreeg hij ook de opdracht plannen voor een nieuwe kathedraal te tekenen. De kathedraal heeft dan ook een heel andere bouwstijl dan alle andere kerken in Cuenca en in Latijns Amerika in het algemeen. Hopelijk heeft Quito (de laatste dag) nog een paar verrassingen in petto.

Na de kerken willen we nog eens in het Museum van Moderne Kunst binnenlopen. We kunnen wel de gebouwen bezoeken, maar er is geen permanente collectie die kan bekeken worden.  Dat bezoek duurt dus niet erg lang. Niet getreurd echter, want nu gaan we langs de Franse straat (vraag me niet waar de naam vandaan komt) naar twee zeer speciale winkels kijken. De eerste heeft niets anders dan religieuze voorwerpen, de tweede niets dan antiklerikale. We gaan in geen van beiden binnen om de balans niet te verstoren. Op het pleintje voor de winkels staat een merkwaardig standbeeld dat een spel van vroeger uitbeeldt. Hierbij moesten kinderen proberen op een met vet ingesmeerde paal te kruipen om bovenaan een speelgoedje te bemachtigen.

Onze voettocht doorheen Cuenca eindigt op een overdekte markt. Allerlei verse producten worden aangeboden, maar het grootste deel van de stalletjes zijn gespecialiseerd in groenten en fruit. Christian ondervraagt ons over de verschillende soorten fruit die we zien maar buiten bananen en ananassen slaan we de bal bijna altijd mis. De passievruchten zijn veel groter dan we gewoon zijn, de appelsienen zijn dan weer kleiner en geler dan bij ons, de boomtomaten zien eruit als granaatappels, de guyavana waren we al helemaal vergeten, enz. Van frustratie krijgen we honger, maar dat probleem kan op de tweede verdieping van deze markt gemakkelijk opgelost worden. In allerlei stalletjes wordt van alles geserveerd. We halen eerst een bordje met “hornado”. Dit is een varken dat in zijn geheel gedurende uren in een oven gebakken wordt. Het resultaat is uiterst sappig  vlees met een krokante korst errond. De dame van het stalletje plukt, zonder veel hygiënische zorgen, stukken vlees uit het varken en gooit ze op een grote pan om het vlees weer op te warmen. Hopelijk is dit voldoende om het aantal bacteriën weer naar beneden te brengen. In dezelfde pan liggen ook witte bollen die blijkbaar van aardappelpuree gemaakt zijn met wat geel poeder op.  Die zullen wel OK zijn want gekookt. Daarna neemt de dame met dezelfde hygiënische voorzorgen als hierboven een handvol van een mengsel van sla, ui en tomaat en steekt haar hand met de groenten in een vloeistof van onbekende oorsprong . Dit is een rare manier van dressing aanbrengen. Dan mikt ze alles op een isomo bordje en dat kost dan 3, 4 of 5 $ afhankelijk van de grootte van het bordje. Gertrude en ik nemen een bordje van 4$ om te proberen en broederlijk te delen, terwijl Christian een “encebollado” (een dikke vissoep met grote stukken tonijn) eet. Onze hornado smaakt en dus ga ik nog een bordje van 3 $ halen. Het bordje zelf is inderdaad kleiner dan dat van 4 $, maar de hoeveelheid erop is minstens evenveel. Dus … beste lezers, als ge ooit in Cuenca in de markt hornado gaat eten bestel dan een bordje van 3$. Ge zult evenveel krijgen dan wanneer ge 4 $ (of 5 $??) bestelt. Voor 9 $ hebben we nu met drieën ons buikje rond gegeten. Hopelijk blijft onze darmflora onaangetast van dit “buikje rond eten” anders zullen we onze mening over hoe lekker dit was moeten herzien.

Nu moeten we wat gaan stappen om dit alles te verteren. Bij het buitengaan wijst Christian ons op een rijtje traditioneel geklede dames. Dit zijn Curanderas. Zij beschikken over bepaalde krachten (zeggen ze zelf) die ze aanwenden om volwassenen en kinderen van allerlei kwalen en kwaaltjes te verlossen. Daarvoor doen ze allerlei rituelen met planten en kruiden op de patiënten / slachtoffers. Men noemt dit de “limpia” of de reiniging. Ons vertrouwen in deze praktijken is zo laag dat we plots geen enkel kwaaltje meer voelen. De “limpia” werkt dus zowel op believers als op non believers. Aangezien we geen kwaaltjes hebben, kunnen we naar het nationaal park “El Cajas” gaan. De hele voormiddag is het erg zonnig geweest, maar als we richting Cajas kijken ziet het er dreigend bewolkt uit. Toch besluiten we eens te gaan kijken. Men weet maar nooit dat we weer geluk hebben en dat het droog blijft.

El Parque Nacional Cajas ligt een klein uurtje rijden buiten Cuenca. De weg gaat gestaag omhoog waardoor we aan de ingang van het park op 3960 m hoogte staan. Na dezelfde  registratieformaliteiten als in alle andere parken waarin we al geweest zijn ingevuld te hebben beginnen we aan een gezapige wandeling van een 4-tal km rond een lagune. Voor mensen zoals wij, die eergisteren nog op 5100 m hoogte gestapt hebben, is 4000 m natuurlijk een peulschil … of toch niet. We worden ook de hoogte van 4000 m aan onze ademhaling gewaar. Het is duidelijk dat we nog geen echte berggeiten zijn. De omgeving is hier erg mooi. Het doet me denken aan Schotland … maar neem dit niet aan van mij, want ik ben nog nooit in Schotland geweest. In mijn verbeelding zouden de lagunes echter gemakkelijk “lochs”, de valleien “glens” en de barre heuvels “bens” kunnen zijn. Ge moet maar eens naar de foto’s kijken als ik ze eens gepost krijg. Na anderhalf uur zijn we terug aan het vertrekpunt. We hebben tijdens onze wandeling een drietal keer wat spatjes regen gehad (niet voldoende om de paraplu open te doen) maar anders is het weer OK gebleven. Hier en daar zelfs een straaltje zon waardoor de wolken er alleen maar dramatischer uitzagen … net zoals in Schotland.

Nu keren we terug naar Cuenca (= in Ecuador, niet in Schotland). Daar gaan we echt de internationale toer op en wel door naar een Belgisch café / brouwerij te gaan. De patron / brouwer is een Gentenaar die zich hier op een zeer mooi pleintje gevestigd heeft. Eerst was zijn microbrouwerij hier ook, maar nu heeft hij die moeten verplaatsen omdat de overheid vond dat hij geen “industriele” activiteiten mocht bedrijven in een residentiële wijk. De patron is er niet maar zijn Ecuadoraanse echtgenote vertelt ons in zeer redelijk Nederlands (ze heeft 5 jaar in Zwijnaarde gewoond) hoe, in het spoor van de Spaanse conquistadores, een Vlaamse pater, Joos De Rijcke (= Jodoco Rique, vandaar de naam van het café Jodoco), hier het eerste bier gebrouwen heeft … omdat hij de Spaanse wijn maar niets vond.  De drankenkaart bestaat uit 3 eigen brouwsels (Tripel, Amber en Quadrupel) en 3 Gouden Carolussoorten (Tripel, Classic en nog een 750 ml fles van Cru Special of zoiets). Ik vermoed dat die Gouden Carolus bieren gekozen zijn omdat brouwerij Het Anker net zoals pater De Rijck uit Mechelen komt.  We bestellen elk een bier van de patron omdat we Gouden Carolus ook thuis kunnen drinken, waar het bovendien geen 8 $ het stuk kost. Christian en ik drinken een tripel en Gertrude het donkere sapje dat voor mij te veel gecaramelliseerd is. Jammer genoeg kunnen we geen tweede biertje meer drinken omdat de Cuy tegen 7 uur besteld is.

We gaan ons in ons hotel snel wat andere kleren aandoen en trekken naar een restaurant waarvan Christian weet dat de cuy er goed is. Ik denk er nu plots aan, heb ik al uitgelegd wat cuy juist is? Neen? Dan zal ik dat nu moeten doen. Cuy is een delicatesse in heel Latijns Amerika. Men kan het in gespecialiseerde restaurants in Colombia, Peru en Ecuador vinden en het is …. Guinees biggetje. Ik heb cuy al eens op onze Peru reis geprobeerd, maar toen was het niet enorm meegevallen. Het beest was toen niet voldoende gaar waardoor ik al vrij snel het eten van de cuy voor bekeken had. Hier heeft Christian gezegd dat ik het absoluut nog eens moest proberen.  We bestellen één cuy voor ons drieën ( is normaal voor twee personen) en nemen er nog een lamsgerecht bij kwestie van een back-up plan te hebben. De cuy die we hier voorgeschoteld krijgen is qua smaak goed en is ook voldoende gaar om van de beentjes te gaan, heeft een krokant korstje maar is voor mij toch wat te veel gepruts om een culinaire topper te zijn. In dat opzicht is er een analogie met kikkerbilletjes en kwartels en allerlei klein grut, waar ik me moeilijk kan mee bezighouden.

Als beloning voor Gertrude’s bereidheid om de cuy te proberen krijgt ze een ijscrème van dezelfde zaak als gisteren. Deze keer neemt ze een Bom Bom Premium omdat daarvan gezegd wordt dat het double chocolate is. Jammer genoeg is deze Bom Bom Premium niet zo lekker als de ijscrème van gisteren maar wie niet waagt, niet wint en wie waagt, verliest soms. Met die gedachte zet ik me aan het schrijven in de wetenschap dat ik de blog niet zal kunnen sturen. We hebben dan wel een suite maar de WiFi werkt niet stabiel genoeg om iets te kunnen posten zonder frustratie.

Misschien morgen.

Dag 22: Van Riobamba naar Cuenca

We hebben beiden niet bijster goed geslapen. Misschien had het met de warmte te maken, we hadden namelijk een zeer dik dekbed. Misschien had het met de hoogte / droogte / dorst te maken. We zitten weer op 2750 m met zeer droge lucht. Enfin, het doet er niet toe. Een keer minder slapen is het einde van de wereld niet en we moeten bovendien toch vroeg opstaan. Reeds voor vijf uur horen we met koffers zeulen. Dat zijn de Fransen die met hun groep om 5 uur moeten ontbijten en om 5:30 richting Nariz del Diablo moeten vertrekken. Wij mogen iets later vertrekken, omdat we met de auto sneller vooruit geraken dan de Fransen met hun bus. Er is wel zeer veel verkeer ondanks het feit dat we al om 6 uur onderweg zijn. Wakkere kerels die Riobambanen. Christian begrijpt het vele verkeer ook niet 100 % , maar we denken dat het met een markt (dieren en alle andere spullen die men normaal op een markt vindt) in een stadje, dat we tegenkomen (NN), te maken heeft. We komen desondanks netjes op tijd aan in Alausi waar we op ons gemak naar onze gereserveerde stoelen in de trein “Nariz del Diablo” kunnen gaan.

De trein vertrekt een paar minuten te laat, omdat de bus met de Fransen wat te laat aangekomen is. We weten niet waar ze gezeten hebben. We hebben ze onderweg niet gezien. Een kleine vertraging van de trein is echter mogelijk omdat de plaatsen in de trein allemaal van op voorhand gereserveerd zijn en omdat de  trein enkel een toeristentrein is, die van Alausi naar Sibambe heen en terug rijdt. Het begin van de treinrit is niet erg spectaculair, maar het wordt beter naarmate we verder in een kloof afdalen. Het wordt helemaal speciaal (spectaculair zou ik het niet noemen) wanneer de trein twee haarspeldbochten neemt.  Het is een eenvoudig idee, maar men moet er maar op komen. De trein rijdt eerst voorbij de haarspeldbocht en gaat dan “achteruit” verder. Goed gevonden van die Ecuadoranen. Uiteindelijk komen we in het stationnetje van Sibambe aan, waar we opgewacht worden door een 5-tal vrouwen en evenveel mannen, die een paar traditionele dansen in traditionele klederdracht uitvoeren. We krijgen ruim de tijd om de “neus van de duivel” in één van de heuvels te zien. Dat valt niet mee, zeker niet als men niet 100 % zeker is naar welke heuvel men moet kijken. Daarna krijgen we nog een paar dansjes aangeboden (bij de laatste worden de passagiers zelfs uitgenodigd mee te doen). Ik kijk strategisch de andere kant op om het Vaderland de blamage te besparen. Zelfs Gertrude slaat het aanbod van de plaatselijke schone af. Philippe en Mathilde kunnen op hun beide oren slapen. Wij brengen België niet in verlegenheid, wat niet kan gezegd worden van een paar stijve Franse harken. We krijgen veel tijd in Sibambe omdat de mensen hopen ons (een “captive audience”) iets te verkopen. Dat gebeurt dan ook, want wat kunnen we anders doen? Velen drinken iets in de cafetaria van het stationnetje of kopen iets in de paar souvenirstalletjes, die naast het stationnetje zijn opgesteld. Wij leveren onze bijdrage tot de plaatselijke economie door een stuk van 70% chocolade met mango te kopen. Uiteindelijk rijden we weer naar boven, waar Christian ons staat op te wachten. Hij heeft een dutje mogen doen ondertussen, de chanchard.

We rijden vervolgens van Alausi richting Cuenca om na een 10-tal km naar een dorpje af te slaan, dat een uitzichtpunt over de Nariz del Diablo heuvel en trein rijk is. Voor 1 $ per persoon mogen we gebruik maken van het pas aangelegde pad, dat van de enige restaurant dat het dorp rijk is, naar het uitzichtpunt gaat. We zijn net op tijd om de trein van 11 uur één van de twee haarspeldbochten te zien nemen. Men kan veel beter het vernuft van de zig zag beweging van de trein appreciëren vanaf dit uitzichtpunt dan vanuit de trein zelf. We moeten er wel 330 trappen voor naar beneden … en terug naar boven. Nadat we de trein van hier boven bezig gezien, hebben is het nu definitief gedaan met de Nariz del Diablo. We rijden langs een paar dorpjes en stadjes en komen uiteindelijk in Biblian waar we een ietwat speciale kerk kunnen bezoeken. De kerk heeft vier verdiepingen. De onderste twee zijn begraafplaatsen. Ruimtes waarin lijkkisten passen en die afgesloten zijn met een gedenksteen met de naam van de overledene erop zijn, zes hoog, op mekaar gestapeld. De derde verdieping van de kerk is een kapel voor San José (maar deze verdieping is gesloten) en de vierde en bovenste verdieping is een echte kerk waarvan het altaar uit de rotsen gehouwen is. Er zijn mooie, semi-moderne glasramen die een mooi licht in de kerk laten binnenvallen. Het geheel is niet buitengewoon mooi, maar de moeite waard om eens te bekijken als men toch passeert.

Na Biblian gaat het nu definitief richting Cuenca. We komen rond 4:30 in ons hotel (Hotel Carvallo) aan en worden een suite aangeboden. Het slaapgedeelte is ongeveer 30 m2  en het zitgedeelte ongeveer 60 m2. Dit is zoveel als de oppervlakte van de hele bovenverdieping van de Lonesome George of 3 kamers in Tena en compenseert dus het gebrek aan plaats toen. Voor zo iets maar 105 $ per nacht betalen (ontbijt inbegrepen en op een steenworp van de kathedraal zitten) is een goede deal. We spreken met Christian om 7 uur af en gaan in een zeer gezellig restaurant juist naast de kathedraal eten. Dit moet ooit deel uitgemaakt hebben van het klooster dat nu geconverteerd is tot een aantal bars, restaurants, etc. Kortom een geslaagde herbestemming. Na het eten zegt Christian dat hij nog een ijscrème gaat eten naast de deur. Gertrude stribbelt zonder veel overtuiging tegen. Ze moet toch eerst zeggen dat ze geen ijscrème mag eten omwille van haar lijn, maar laat zich dan overtuigen met Christian mee te doen. Ze gaat wel de lokale toer op (ondanks het feit dat er allerlei gekende favorieten staan zoals chocolade, Oreo, tiramisu, stracchiatelli, aardbeien, smurfenblauw,  enz.) en neemt een mengsel van bosbessen en guyanavanas. Het geluk straalt van haar af. Het zijn de kleine dingen die het leven mooi maken. We wandelen over de centrale plaats, waar een aantal breakdansers hun moves aan het tentoonspreiden zijn en langs een binnenplaats waar een aantal jonge jongens en meisjes hun dans moves tonen. Stijve harken zien we hier niet (omdat er geen spiegels hangen).

Nu is het tijd om ons in onze suite terug te trekken, zodat we toch een beetje gebruik maken van de geboden luxe.

Hasta Mañana

Dag 21: Van Baños naar Riobamba (met de Whymper / Hermanos Carrel hut op Chimborazo)

Vandaag worden we niet wakker op de tonen van het Ecuadoraanse volkslied … omdat we al wakker zijn voor de eerste tonen uit de luidsprekers schallen. Nu we weer bij zijn met onze blog, kunnen we weer op een normaal uur slapen en worden we dus relatief vroeg wakker. En hadden we wel nog geslapen dan was het toch niet het nationale volkslied geweest dat ons gewekt zou hebben. Het is deze keer de Ecuadoraanse Luc Steeno die een optreden voor heel Baños doet. Het is duidelijk dat de schooldirecteur een beetje van alle markten thuis is. Na het ontbijt en een herschikking van de valies vertrekken we rond 9 uur Riobamba.

Het ziet ernaar uit dat Blauw / Wit weer gaat winnen van de Wolken (hopelijk volgt de Gantoise dit voorbeeld nu Hein de pijp aan Yvan gegeven heeft). We rijden in een grote cirkel rond de Tungurahua vulkaan. Dit doen we niet omdat hij op exploderen staat maar omdat dit de enige weg naar Riobamba (onze volgende overnachtingsplaats) is. In Ecuador is er altijd maar één weg van punt A naar punt B in tegenstelling tot bij ons, waar men altijd via allerlei alternatieve wegen kan rijden (en maar goed ook anders zouden de files nog langer zijn). De top van de Tungurahua is gedeeltelijk in de wolken gehuld. Christian zegt dat dit niet slecht is, want dat de top van de vulkaan meestal geheel onzichtbaar is. Rond 11 uur komen we aan op Punt B (op 2750 m hoogte) en checken we eerst in het hotel in alvorens onze weg verder te zetten. Mansion San Isabella is een zeer mooi hotel (achter een zeer gewone façade) en we hebben een zeer ruime en mooi ingerichte kamer.

We kunnen echter niet treuzelen, want we moeten vandaag de Chimborazo beklimmen (althans een deel ervan … en gelukkig het onderste deel). Voor we aan de beklimming beginnen moeten we eerst nog veel meer klimmen (gelukkig met de auto). De Chimborazo is 6268 m hoog en daarmee de hoogste berg van Ecuador. In Latijns Amerika staan veel grote kastaars. De hoogste is de Aconcagua op de grens tussen Argentinië en Chili die met zijn 6962 m maar net uit de categorie van de 7000’ers valt. Niet getreurd echter, de Ecuadoranen hebben er iets op gevonden: door de afplatting van de aarde is de hoogte van de Chimborazo  2000 m hoger dan de Everest als men in plaats van te rekenen vanaf de zeespiegel rekent vanaf het midden van de aarde. Van die spitsvondigheid (pun intended) staan Edmund Hillary en al zijn huidige navolgers wel eventjes te kijken. Enfin, voor ons moeten al die trucjes allemaal niet. Wij, die 91 m boven de zeespiegel zitten, als we boven in ons bureau zijn,  vinden 6268 m boven de zeespiegel al niet mis.

We rijden eerst tot aan de ingang van het nationaal park, waar we ons moeten registreren, maar de ingang is, net zoals in alle andere parken, met uitzondering van de Galapagos eilanden, gratis. Na die formaliteit rijden we verder op een brede aardeweg (te vergelijken met de hoofdwegen in Namibië) tot aan een parkeerplaats en berghut. Die plaatsen zijn op 4800 m hoogte gelegen. Ongelooflijk dat we hier al even hoog staan als op de top van de Mont Blanc. Vanaf hier moet het te voet verder. We doen moedig onze bergschoenen aan en dat is voldoende om ons licht in het hoofd te laten voelen. Als we nu nog werkelijk licht zouden zijn zou de klim naar de tweede berghut “een wandelingetje in het park” zijn. We vrezen echter dat dit niet het geval zal zijn en besluiten dus wat op onze positieven te komen over een kopje Coca thee. Daarna beginnen we de tocht. Wat vanuit de auto leek als een klein heuveltje opstappen blijkt, wanneer men van wat dichter kijkt, minder mee te vallen dan verhoopt. Ik blijft netjes achter Gertrude (dat is niet moeilijk omdat ik regelmatig een foto van de omgeving neem wat me ook wat rust geeft) en zeg haar continu dat ze zo traag als ze kan moet stappen.  Pollé, Pollé. Op die manier halen we één voor één andere stappers in. Bij een groep Nederlanders is er één die ons horen praten heeft en zegt dat wij, Belgen, bevoordeeld zijn tov hen, de Nederlanders, omdat er in België bergen zijn. Ik wil geen boompje opzetten over de vraag hoe het dan komt dat Nederlandse renners mee kunnen spelen in het algemeen klassement van grote rondes dus plaats ik, à la Van Impe (die kon nog eens een berg oprijden), een demarrage die onze noorderbuur ter plaatse laat. Dat zal hem leren.

We bereiken na 40 minuten de berghut die 200 hoger ligt dan de vorige = 5000 m. Dat moet gevierd worden met een fotootje. Net wanneer Gertrude haar geluk de baas kan, zegt Christian dat wat hoger een lagune ligt en of we zin hebben tot daar te gaan. Gertrude weet haar euforie te onderdrukken en stapt moedig verder … tough cookie. Ze blijft Pollé Pollé verder stappen tot we de lagune (waar geen water meer instaat) bereiken. Nu zijn we op 5100 m … en dan tel ik nog niet van het centrum van de aarde !!! Nu is het welletjes geweest, want hierna is de beklimming een echte beklimming met koorden en crampons en wie weet wat nog allemaal. Wij gaan dus naar beneden wat ongeveer even lang duurt als naar boven omdat het pad bestaat uit vulkanische as en kleine steentjes. Op zoiets afdalen is Gertrude’s specialiteit niet, maar als ze een handje mag geven of de rugzak mag vasthouden lukt het wel. Beneden in de berghut eten we een empanada met een beker Coca thee en we kunnen er weer tegen voor een tijdje.

Op de terugweg naar Riobamba zien we nog zeer veel vicuña’s. Dit zijn familieleden van de lama’s en de alpaca’s maar zij geven veel fijnere wol. Christian weet te vertellen dat een paar kousen gemaakt van vicuña wol in Duitsland 1200 € kost. Als dat waar is (maar ik vrees van niet) dan steek ik twee kleine vicuñaakes in mijn valies en begin ik op één van de slaapkamers thuis (91 m boven de zeespiegel, want die beesten zijn gewoon op grote hoogte te leven) te kweken met die beesten. Na een deugddoende douche gaan we relatief vroeg eten in een Peruaans restaurant. Voor 25 $ eten we met zijn drieën een mixed grill voor twee en een beef chorizo die we met moeite opkrijgen, drinken we 2 grote bieren die we zonder moeite opkrijgen en kopen we een flesje artisanaal gemaakte chili saus. Hiermee heb ik het perfecte recept om rijk te worden: 2 vicuña’s ontvoeren uit Ecuador en er in Belgie mee kweken zodat we vicuñawollen sokken in Duitsland kunnen verkopen om dan ’s avonds in Riobamba te gaan eten. Met dit plan in gedachten gaan we slapen want morgen moeten we al om 5:30 ontbijten. We moeten namelijk om 8 uur de trein naar de “Nariz del Diablo” in Alausi nemen.

Slaapwel